Brieven aan mam

Zondag 22 maart 2020

Ha mam,
De afgelopen dagen/weken denk ik heel vaak aan jou. Nu zit jij altijd al veel in mijn gedachten, maar op dit moment nóg meer dan anders. Jou missen is er dan ook niet minder op geworden. Vooral onze telefoontjes, onze gesprekken over jouw ergernissen, over het schrijven, over jouw leven, jouw voorouders, over van alles en nog wat…

Waarom dit meer is dan eerst is misschien geen verrassing nu de wereld in brand staat. Het corona-virus grijpt op een beangstigende manier om ons heen. En daarbij moet ik steeds aan jou denken. Want hoe zou jij daar mee om zijn gegaan? Jij, als zieke oudere, 92 jaar oud en nog steeds zelfstandig wonend in Brabant. De provincie die het zwaarst getroffen is. En dan ook nog in Schaijk, onderdeel van de gemeente Landerd (samen met Uden en Boekel, volgens de statistieken, de brandhaard van het coronavirus).

Elke dag kreeg jij de hoognodige zorg van Thuiszorg. Lieve dames die ook bij vele andere kwetsbare ouderen over de vloer kwamen. Het onzichtbare coronavirus dat overal rondwaart had via hen zo makkelijk mee kunnen liften. Een scenario dat niet ondenkbaar is. De vraag daarbij was dan ook niet óf jij besmet zou raken, maar eerder wannéér! En dan hoor ik je in mijn gedachten al zeggen ‘ach, ik gebruik zoveel medicijnen, ik krijg dat virus niet’. Nou mam, die hadden nu niks voor jou kunnen betekenen. Jij had dan duidelijk in de gevarenhoek gezeten.

Sinds vorige week zijn de instructies ‘hoe gaan we om met het coronavirus in Nederland’ enorm opgeschaald. Het is een pandemie. En jij mam, jij zou in de frontlinie staan van deze corona-oorlog. Om de redenen die ik net al noemde.

Het zou ons nu zelfs verboden worden om nog bij jou op bezoek te gaan! Iets wat wij uit alle macht wel zouden proberen te doen…
Maar het gegeven wat me nu het meeste aangrijpt, is dat wie nu besmet raakt door het virus, het ziekteproces alleen zal moeten aangaan en naar alle waarschijnlijkheid zonder familieleden om zich heen eraan zal overlijden.

En dan denk ik terug aan hoe wij vorig jaar afscheid van jou mochten nemen. De dagen dat je nog thuis was op jouw vertrouwde stek. Hoe wij jou met velen naar jouw laatste rustplaats, naast ons pap, hebben gedragen.
Dat alles wordt nu de nabestaanden ontnomen. Met maximaal slechts 30 personen, met allen op gepaste afstand. Mensen die steun bij elkaar willen zoeken maar elkaar niet aan mogen raken, geen knuffels.

Mam, wat ik nu ga zeggen, klinkt misschien raar en hard, maar ergens ben ik blij dat jou dit alles als zieke oudere bespaard is gebleven. En ons. Hoe graag ook ik jou nog steeds naast ons in ons leven had gehad….

Dag mam, doe je daarboven de groeten aan allen die we missen? Tot een volgend schrijven!

Roodvonk (1886) versus Corona (2020)

Corona heeft de wereld in zijn greep. Elk land vecht op zijn manier om dit virus tot stilstand te krijgen. Hulpverleners in alle soorten en maten staan klaar om waar ook een helpende hand uit te steken. We houden het niet tegen, het coronavirus treft iedereen. Op dit moment gelden geen rangen en standen, zijn we allen gelijk.

De wereld heeft vaker te doen gehad met grote epidemieën. Denk bijvoorbeeld aan de pest, of aan de Spaanse Griep nu precies 100 geleden.

Als ik het dichterbij huis zoek, in mijn familiegeschiedenis, ga ik terug naar de 19e eeuw. Nederland ging in de winter van 1885/1886 gebukt onder een roodvonkepidemie, een ziekte die net als corona overdraagbaar is via kleine druppeltjes in de lucht. Roodvonk had in die tijd vaak een dodelijke afloop. Maar net als de corona nu, had roodvonk toen ook een milde variatie.
Ik ben geen viroloog en om alles te begrijpen, neem ik net als jullie alle berichten over het coronavirus tot me. En daarbij laat ik me vooral leiden door het RIVM én de regering.

In de 19e eeuw was dit niet anders. Zo gaven de dienstdoende burgemeesters, via proclamaties, aan hun burgers door welke ziekte er heerste en aan welke regels men zich moest houden. Tevens gaven ze elke week door hoeveel personen er waren besmet en het aantal die eraan waren bezweken. Dit alles kwam ik tijdens mijn research in het archief tegen. De couranten van toen zijn heel indrukwekkend!

Het is maart 1886, de roodvonkepidemie is net als de winter op zijn retour, met nog enkele laatste stuiptrekkingen waart ie door de stad Dordrecht. Burgemeester H.A. Nebbens-Sterling geeft in de Dordrechtse Courant aan dat de Roodvonk bijna over is. Op de valreep raakt de 4-jarige Betje de Kleijn toch nog besmet. Ze moet in quarantaine. Marjanneke, haar moeder, moet dit alles machteloos aanzien. Wat nu? Herstelt Betje van deze nare ziekte? Hoe gaat Marjanneke en het gezin hiermee om?

De antwoorden hierop vindt je terug in mijn historische roman ‘Marjanneke, stoer wijf – (Over)leven in Dordrecht, eind 19e eeuw’. Een heel aangrijpend verhaal over het leven van Joost en Marjanneke, eenvoudige arbeiders, die met hun kinderen in 1884 verhuisden van het platteland naar de grote stad Dordrecht.

Het boek is genomineerd voor publieksprijs The Indie Awards 2019! Het staat nu op de shortlist, 18 april is de prijsuitreiking!

‘Rebelse Tonny’

Zaterdag 7 maart start in het hele land de Boekenweek. Zo ook in de regio van ‘Het land van Cuijk’ waar BiblioPlus, Stichting de Kneep én Schouwburg Cuijk de handen ineen slaan met festival ‘Boek & Bal De Kneep’. Het thema dit jaar is ‘Rebellen & Dwarsdenkers’.

En kijk, dat dwarse, dat rebelse, dat spreekt mij wel aan. Ik maak mij er regelmatig, mét plezier, schuldig aan. De hoofdpersoon van mijn net uitgebrachte roman, m’n overgrootmoeder Marjanneke de Kleijn, was daar ook niet vies van.
Maar eerlijk gezegd spant op dit moment voor mij Tonny de kroon.
“Wie?”, hoor ik jullie nu vragen. Tonny, een kranige 90-jarige dame waar ik over mag schrijven in mijn volgende boek. Bloemrijk vertelt zij mij haar levensverhaal. Heerlijk om te horen én te zien hoe zij in het leven staat. Beleefd maar recht voor de raap, eerlijk en oprecht. Het respect van mij voor haar groeit na elk interview meer en meer.
Nee, met haar maak je de kachel niet aan! Tonny, wat ben jij een dapper mens!

Zo staat zij, wanneer de juf even de klas uit moet, als zevenjarig kind voor de klas. Parmantig neemt zij de les over en verbetert en passant een klasgenootje. “Nee, het is hoofd, geen kop.” Om daar pedant aan toe te voegen, “Hier in de klas spreken wij netjes.” Met Tonny ging je toen al, zo jong als ze was, duidelijk niet dollen.

Zij interesseert zich voor haar gemeenschap en sluit zich aan bij de Katholieke Vrouwen Organisatie. Haar kwaliteiten blijven niet onopgemerkt en reeds op haar 19e wordt zij voor toen de jongste voorzitter ooit van deze KVO. Dit voorzitterschap oefent zij met verve uit totdat ze, net getrouwd met haar jeugdliefde Toon, het grote avontuur aangaat.

Ondanks een flink protest van haar ouders, de liefde voor haar kersverse man overwint, emigreert zij samen met Toon naar de andere kant van de wereld. ‘Die zien we nooit meer terug’ denken vader en moeder. Dit hakt er bij Tonny hard in en doodziek van verdriet, vooral omdat haar ouders geen afscheid van haar wilden nemen, komt zij aan in Australië. We schrijven 1956.

Maar Tonny hervat zich. Al snel beseft ze dat, willen zij en haar man daar in het verre Australië iets bereiken, ze niet bij de daar wonende familie moeten blijven hangen. Tonny denkt buiten de geijkte wegen. Gaat regelmatig tegen de draad in. Heerlijk eigenwijs! Zo gaat ze om de taal goed te leren drie maanden werken en wonen bij een Australische herenboer. ‘In no time’ heeft zij dan ook de Engelse taal onder de knie. Tonny pakt door en kort daarna starten zij hun eigen bedrijfje, een share-farm. Niemand van de toen met hen mee geëmigreerde Hollanders die dat in zo’n korte tijd lukte, zij wel.

Ondernemen is risico’s nemen, is durven en is ook weten wanneer het goed is of tijd is om nieuwe stappen te zetten. Dat heeft ze gedaan als zevenjarige, als negentienjarige, als zesentwintigjarige, als dertigjarige. En nu als negentigjarige, een dametje, wonend op het Brabantse platteland met om de haverklap strooiend met Engelse woorden. Klein van stuk, maar nog steeds met spierballentaal.
Rebelse Tonny’, dat klinkt verdomd goed, als een jas die haar past!

Lachende Tranen

Het is vandaag de laatste dag van de Poëzieweek 2020.
Deze sluit ik af met het gedicht dat mam schreef, kort na het overlijden van ons pap.

Lachende Tranen

Lachen
Lachen, met iedereen telkens weer
Lachen, bij het danken wel duizend keer
Lachen, niet klagen maar tevreden zijn
Lachen, weinige begrijpen en zien de pijn
Lachen, met kinderen en kleinkinderen telkens feest
Lachen, herinneringen of het gisteren is geweest

Tranen
Tranen, die veranderen eensklaps in een lach
Tranen, die niemand, niemand zien mag
Tranen, iedere avond weer
Tranen, iedere morgen, waarom Heer?
Tranen, weg bij een klik van de telefoon of bel
Tranen, zomaar weg maar ze zijn er wel

Lachende tranen
Tranen, wegstoppen, vandaag samen
Lachen, verscholen in vele, vele tranen
Tranen, iedere dag nog zoveel vragen
Lachen, met iedereen die om je geeft
Tranen, je voelt het als je dit leest
Lachende tranen, vertellen dat het goed is geweest

Betsy van der Zanden-van der Heijden
21-10-1926   –   26-08-2019

 

4 februari ‘Wereldkankerdag’

Een dag om even bij stil te staan.

Raar, hoe zacht ik het woord ook uitspreek, het klinkt altijd hard in mijn oren. Het heeft zo’n nare klank.
Raar, maar het klinkt ook vertrouwd. Omdat het helaas voor mij en velen om mij heen een onderdeel van het leven is geworden. We kunnen er niet meer omheen, we kennen allemaal wel iemand die deze ziekte heeft of heeft gehad of er daardoor niet meer is.

Misschien ben jij nu wel degene die dit overkomt, die deze grote PECH heeft.
PECH ja, zo noem ik het altijd. PECH wanneer een kankercel, die bij iedereen ergens in het lichaam verstopt zit, plotsklaps begint te delen. Waarom? Daar hebben wij blijkbaar geen controle over. En dat vind ik dus dikke vette PECH.
En je hebt GELUK als de medici je kunnen helpen. Zij doen elke dag hun stinkende best om die rotziekte te verbannen.

Deze dag sta ik stil bij mijn man Theo, overleden aan galwegkanker.
Negen jaar geleden verbleven wij rond deze tijd een lang weekend in Friesland, om precies te zijn in Leeuwarden. Samen hebben we toen met de auto de Elfstedentocht gereden. Aangekomen bij het eerste bruggetje stapten we uit om daar voor de gein te juichen, voor de in onze verbeelding duizenden schaatsers. Met de televisiebeelden van eerdere tochten op ons netvlies, zagen wij ze bij wijze van spreken onder ons doorzwoegen. Hierna stopten we op elk bruggetje en telkens gingen onze armen de lucht in. De mensen die ons toentertijd zagen, zullen wel gedacht hebben, wat een malloten. Maar wij hadden schik!

Vaak denk ik terug aan dat weekend omdat Theo na die bewuste dag niet meer zo goed meer in zijn vel zat. Het glaasje wijn smaakte anders, hij was vaker moe en dook dan vroeg zijn bed in. Op zijn verjaardag, 15 april, kreeg hij ineens felle pijnscheuten in zijn rechterschouder. Die bleven hem vanaf dat moment lastig vallen. Pas eind mei gingen alle alarmbellen af en gingen we het traject huisarts – ziekenhuis in. De twee maanden daarna waren erg intens, verdrietig, wanhopig en uiteindelijk berustend. ‘Vechten en strijden’ kwamen niet ons woordenboek voor. Daar konden we niets mee, het ging allemaal te snel. We hadden te dealen met het woord PECH.

Dit alles, Theo – ik – samen – ons leven – en later mijn leven alleen, heb ik een plek gegeven in mijn eerste boek, ‘Was er maar een recept voor rouwen’. Hierin haal ik ook ‘toeval’ aan, dat toeval niet bestaat. In een blog voor ‘Ik mis je’ heb ik dat als volgt omschreven: ‘Als god iets wil, verkleed hij zich als toeval’

Afgelopen zondag dronk ik, na een voorstelling die ging over het leven van Wim Sonneveld en Friso Wiegersma, nog met enkele mensen een glaasje wijn. Rouw was het onderwerp van gesprek, hoe we dat beleefden, dat we het duidelijk allemaal anders deden. Over één ding waren Hans, de laatste partner van Friso, en ik het hartgrondig eens: het koesteren van mooie herinneringen, samen met onze partners, is o zo belangrijk. Het geeft hem en mij vreugde en kracht. Tot slot waren we het er ook over eens dat ons gesprek óók geen toeval was.

Vandaag steek ik weer een kaarsje aan, voor hen die we missen, op deze speciale herdenkingsdag…

Waar eens mijn wiegje heeft gestaan

Tijdens de ‘Poëzieweek 2020’ wil ik graag een gedicht aanhalen van mijn moeder Betsy van der Zanden-van der Heijden.
Zij heeft het geschreven op haar 65e verjaardag, 21 oktober 1991.

Waar eens mijn wiegje heeft gestaan

De Laagheij – Lèghèi – Lagebaan – de Lage Baan
in drie eeuwen veranderde hij met beetjes van naam. 

Daar was vroeger veel heide, véél vroeger een gedeelte moeras
maar nu is er weinig meer te zien van hoe het vroeger was. 

Ieder metertje land werd met noeste arbeid gewonnen
zelfs mijn vader heeft +/- 1920 nog een stukje land ontgonnen. 

Waar hebben vroeger toch al die strûtjes gelegen?
Ja, zelfs in de jaren 30 waren er nog geen goede wegen. 

En ieder huisje had een strooien-dak in die tijd
de keutertjes hadden veel kinderen, een paar koeien en een geit. 

De Lage Baan is nu een rijk gehucht
maar met nog steeds dezelfde maan en de mooie blauwe lucht. 

Misschien wordt er niet meer zoveel gezongen als toen
maar ieder voorjaar wordt het weer lente, wordt alles weer groen. 

De Laag heij – Lèghèi – Lagebaan – De Lage Baan
heeft 65 geleden mijn wieg eens gestaan.

Sneeuw

Gisteren keek ik op mijn laptop en zag de volgende weersverwachting: ‘Zon en enkele buien, lokaal hagel’. Met geen woord repten ze over ‘sneeuw’, wel hagel.
Maar of dat ook telt voor de ‘Internationale dag van de Sneeuw’?

Denkend aan sneeuw zie ik vooral beelden van een wit landschap in Siebengewald van de laatste 20 jaar voorbijkomen. Daar lag voor mijn gevoel elk jaar wel sneeuw. En denk ik aan een dik pak sneeuw, en dan bedoel ik ook echt een héél dik pak sneeuw, gaan mijn herinneringen verder terug, naar Oostenrijk, naar Pertisau. Want dat was héél speciaal. Waarom? Wil je weten wat daar gebeurde? Lees dan hieronder mijn verhaal/blog!

Stel: je bent hartstikke verliefd en jouw vriendje vraagt of je mee wil op skivakantie. En dat terwijl je dat eigenlijk verafschuwt. Dan zeg je gewoon volmondig ja. Want op dat moment maakt het niet uit waar je samen naar toe gaat, áls je maar samen weggaat.
Zo gebeurde dat ook bij mij. Onze eerste vakantie, van Theo en mij, naar Oostenrijk.
Het grappige aan dit verhaal is dat híj dacht mij hiermee een plezier te doen. In werkelijkheid was hij er ook totaal geen liefhebber van. Veel te bang iets te breken waardoor hij dan de baas met grote problemen zou opzadelen.
Nou, dat was een goede start van ons leven samen haha. Maar vanaf dat moment wisten we wel dat ‘duidelijk zijn naar elkaar toe’, om nog meer misverstanden te voorkomen, erg belangrijk was. En niet alleen maar willen pleasen.

Uiteindelijk hebben we toch een schitterende vakantie gehad met onvergetelijke hilarische momenten. We hebben niet geskied. Nee, wij gingen wandelen, lekker klossen in de sneeuw, dorpjes verkennen. En we gingen de berg op om daar boven te genieten van het uitzicht. Dat Theo last had van hoogtevrees wist ik, een beetje dacht ik. Maar de open stoeltjeslift bleek voor hem té heftig. Zo stoer als hij was toen we naar boven gingen, zo stellig was hij over de terugtocht. Met diezelfde lift naar beneden durfde hij niet meer. Dus dat werd lopen, met de wind in de rug daalden we de berg af. Via een pad dat ons door de uitbaters van het restaurant boven was aangegeven.

Het was een lange wandeling die uren duurde, met smalle en gladde plekken. Ondanks dat het een hachelijke onderneming was, hielden we de moed erin. We probeerden zoals altijd overal maar een grapje van te maken. Ook van de kleine boompjes langs het pad. Althans, we gingen ervan uit dat het jonge aanwas was.
We werden stiller en stiller en helemaal verkleumd kwamen we in de vallende duisternis aan in het hotel. Daar hoorden we dat dat pad tijdens de winter afgesloten was, verboden om daar te lopen, oeps.
En die boompjes? Dat bleken de toppen van minstens 30 meter hoge dennenbomen te zijn. We beseften ineens dat één stap naar links voor ons die middag fataal had kunnen zijn.

Maar ach, ’s avonds aan de bar met een heerlijk glas wijn, weer helemaal opgewarmd, hadden we weer volop praatjes. En communiceerden we en leerden we elkaar steeds beter kennen. Het was een vakantie waar we nog vaak aan terugdachten, eentje van veertig jaar geleden…