Mei 1944 Deel 2

Anneliese:
In deze maand vertelt mam over de vliegtuigen die naar beneden kwamen tijdens de oorlog. In deel 1 vertelde ze over het vliegtuig dat brandend op hun huis dreigde te vallen maar door een wonder een draai zijwaarts maakte en een stukje verderop neerstortte.
Ook in Deel 2 heeft een vliegtuig de hoofdrol. Maar ook de angst als je een verklikker tegenkomt…

Mam:
Wat later dan dat eerste vliegtuig landde er een vliegtuig in de Zandstraat, achter het huis van Bertus Custers. Ik was die dag bij bakker Spanjers aan het werk. Samen met bakkersknecht ‘Van der Ven’ (d’n Booi) ging ik bij het vliegtuig kijken. Als er iets te beleven was waren we er meteen als de kippen bij. We dachten niet na, we waren gewoon jong en nieuwsgierig.
Overal kwamen mensen vandaan, iedereen wilde dit wel zien. We hadden al zoveel vliegtuigen in de lucht gezien en gehoord, maar dit vliegtuig stond kolossaal, zo enorm groot, gewoon voor onze neus op de grond.
‘Van der Ven’ ging met vele andere jongens uit Schaijk het vliegtuig in en namen van alles mee naar buiten. Broer Jan was natuurlijk er ook bij.
Plotseling verscheen er een meisje. Ze had tijdens het rennen door het weiland haar klompen verloren. Ik hoor haar weer zeggen, totaal buiten adem toen ze bij het vliegtuig aankwam, “Leg alles neer of ik geef jullie allemaal aan.”
Broer Jan draaide zich langzaam om. Bedachtzaam zei hij toen zachtjes tegen mij: “Zij is het dus…”
We waren allemaal bang en waren zo vertrokken.

Anneliese:
Dus jullie lieten alles achter?

Mam:
Sommige wel, sommige niet. Hoor maar:
Net terug bij bakker Spanjers brak daar de hel los. Een grote groep Duitsers stormde het huis binnen. Eén groep rende naar boven, ik zie ze nog de trap opstormen. Eén groep naar het achterhuis en de schuur. En één groep naar de twee kamers beneden en de bakkerij.
‘Van der Ven’ deed het bijna in zijn broek. Altijd al bleek kijkend, keek hij nu spierwit. Hij had namelijk zijn vliegtuigbuit niet achter gelaten maar snel verstopt in het deeg.
Van werken kwam die dag niet veel meer.
Ik hoorde nog lang hun laarzen klapperen (en mijn tanden) en hun geschreeuw (wat ik helemaal niet verstond).
Van de piloten is mij niets bekend, ik hoorde alleen maar geruchten. Zeker is dat ze in de buurt van het vliegtuig zijn verborgen.
Wat ik bijna wel zeker weet is dan onze Jan hier meer mee van doen had. En de dekens en parachutestof waar ik hierna weer van alles mocht maken? Dat die daar vandaan kwamen kan je donder op zeggen!

Ach, onze Jan, door een noodlottig ongeval veel te jong overleden…

1944 – Gedicht ‘Mei’

Mei 1944
Bij Betsy thuis werd vroeger veel gezongen, zowel de populaire liedjes van toen als de vele ‘heilige’ liedjes.
Mei is de Mariamaand. Vóór dat de oorlog uitbrak ging ze vaak op de zondagmiddag, samen met de Katholieke Jonge Meisjes, zingen bij de grot van Maria in de tuin van het klooster in Schaijk. Dat hield abrupt op toen de oorlog uitbrak.
Mei is echter nog veel meer. Heel wat jaren geleden heeft Betsy over deze maand een gedicht geschreven. Onderaan het gedicht staan de eerste regels van een oud Marialied ‘Gekomen is Uw lieve Mei, Maria’. Mijn moeder, Betsy, zingt dit lied na zoveel jaar nog steeds mee, u ook? (Youtube: Gekomen is Uw lieve Mei, Maria)

Maar dan nu het gedicht, geschreven door Betsy van der Zanden-van der Heijden.

Mei
Mei: de vijfde maand van het jaar
Mei: Mariamaand, velen gaan deze maand ter bedevaart
Zelfs vroeger verlieten velen ‘voor één dag’ huis en haard
Marialiederen werden en worden in alle kerken gezongen
En knielend bij het Mariabeeld, bidden velen ongedwongen
Gekomen is de ‘Lieve Mei Maria’, dat was vroeger ons gebed
Wij hebben als kind vele boeketjes bij haar beeld gezet

Mei: de maand ofwel de dagen van de ‘ijsheiligen’
Tot dan kan nog één nachtvorstje de bloemetjes pijnigen
Het is een wenk, reeds verjaard
Het vriest even vaak in mei als in maart
Mei: we zien het meizoentje, meikers, meikever, meidoren
En… nog even het palmtakje tussen het groeiende koren

Mei: de Tweede Wereldoorlog herinnert ons ook dit jaar weer
Maar wij hopen dat de oorlog nooit meer weder keert
Vier mei, vijf mei, tien mei, die dagen blijven ons herinneren
Wij vertellen het al bijna 75 jaar aan onze kinderen
Ze lezen dagelijks in de krant en zien op tv
Oorlogen dragen veel haat met zich mee

Mei: ‘bloeimaand’, de tuin gaat al vruchten geven
Veel dieren gaan van stal naar de wei, er is nieuw leven
Men ziet bijenzwermen van hier tot ginder
Je hoort ze samen zoemen, voorbij is nu de winter
Alle soorten vogels laten van zich horen
Hun zang is mooier dan wel duizend koren

“Maria”
Gekomen is de lieve Mei, Maria
En op het veld de bloemensprei, Maria
Bloemen die wij plukken gaan
Nu ze rijk te bloeien staan
Ave, ave Maria
Voor u, de vrouwe van de mei
“Maria”

Mei 1944 Deel 1

Anneliese:
Deze maand vertel ik jullie over enkele vliegtuigen die bij ons mam in de buurt naar beneden zijn gekomen.
Een daarvan was een heel angstig moment voor het hele gezin ‘Van der Heijden’ aan de Lage Baan.

Mam:
Wij stonden op het punt om naar bed te gaan toen we een geluid hoorden dat ons niet aanstond. Het was het stotterend geluid van een vliegtuig dat problemen had.
“Liggen, liggen”, werd er door de oudsten geschreeuwd. In de gang, met de voordeur open, zagen we, liggend op de grond, het brandende vliegtuig recht op onze boerderij afkomen. Angst stond op ieders gezichten te lezen.
Automatisch gingen we bidden.
“Onze vader, die in de hemel zijt, uw naam worde geheiligd, uw rijk kome, uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel…”
Onderwijl hoorde ik een snik van een van de jongsten. Het was dan ook een nachtmerrie waar we midden in zaten.

Terwijl we dachten dat het met ons gedaan was en we onze handen voor onze oren of ogen sloegen, gebeurde er een wonder. Onze gebeden werden verhoord. Het vliegtuig maakte ineens een draaiende beweging. Ik herinner me dat we allemaal tegelijk riepen: “Hij vliegt weg, hij vliegt weg!”
Het wegvliegen gaf een angstig geluid dat veranderde in een knetterend geluid. Even later kwam het vliegtuig aan de grond. Niet het vliegtuig maar de brandstof overdekte het huis van ‘Van Duurkes’. De familie van Duren kon nog net op tijd in nachtkleding (dat later nog hun enig bezit bleek te zijn) naar buiten vluchtten, gelukkig raakte er niemand van dat gezin gewond.
Tegelijk stond alles in lichterlaaie. En wij… wij keken op een kleine afstand naar de vlammenzee, en naar de lucht die veranderde in een gloedrode kleur.

Eén piloot, zo hoorden wij in de morgen, was met de parachute uit het brandende vliegtuig gesprongen en zwaar gewond bij Driek Verstegen in de Zandstraat door de buren binnen gedragen. Terwijl zij hulp haalden waren de Duitsers al onderweg en kwamen bijna gelijk aan met onze huisarts, dokter Langendijk. De dokter probeerde nog de Duitsers te overtuigen de piloot hier te houden, maar tevergeefs. Twee piloten zijn in het brandende vliegtuig omgekomen. De vierde piloot vond men naast het vliegtuig in een sloot…
Het vliegtuig, ofwel de brokstukken, werd bewaakt door de Duitse soldaten. Zij patrouilleerden vanaf het vliegtuig op de Gagelstraat tot aan de Lage Baan.
In de weken erna vond ik het niet fijn om daar ’s avonds na mijn werk langs op te lopen. Best luguber. Maar ik zag ook meisjes die niet bang waren en daar dicht tegen de soldaten aanstonden, hun gezichten verborgen om niet herkend te worden. Thuis vertelde ik hier maar niks van want anders mocht ik niet meer alleen naar huis lopen…

Weer later landde er een vliegtuig in de Zandstraat, achter het huis van Bertus Custers, in het Goer. Maar daar vertel ik volgende keer over. Vind je dat goed?

Anneliese:
Mam, ik deel mei gewoon weer in tweeën op.

April 1944 Deel 2

Naar buiten
Het weer laat zich van zijn goede kant zien. Moeder wil daarom dat het vee naar buiten gaat. Het goede moment om dit af te spreken is op een zondag tijdens de middagmaaltijd, dan is bijna iedereen thuis.
“Het gras groeit weer, het weiland ziet al mooi groen, vinden jullie ook niet?”
Moeder kijkt de tafel rond, afwachtend wie het stokje overneemt.
Marie is de eerste. “En ik wil aan de voorjaarsschoonmaak beginnen, het liefst eerst achter, op de stal. Maar dan moeten wel de koeien naar buiten.”
“Dat kan”, zegt Jan. “D’n omheining is gecontroleerd, van mij mogen ze.”
Moeder zet meteen door. “Dus deze week Jan?”

Na afloop van het eten zijn alle plannen doorgenomen. Want ondanks de oorlog, de jaargetijden gaan gewoon door. Aan het stalgedeelte achter het huis, waarin de varkens huizen, hoeven ze niks te doen. Maar de stal, net achter de deel, waar de koeien staan, moet leeg. Zodra de koeien in het weiland staan zullen de jongens de stal uitmesten.
Marie is er blij mee. “Dus als gullie da dan klaor hebben, kan ik gaon schrobben en helpen jullie me met het putten van het water? Dan vraog ik wel de klein om die emmers naar mij toe te sjouwen.”
“Hedde genoeg kalk, of moet ik nog haolen?” Martien kijkt Marie vragend aan.
“We zullen zo gaon kijken.” Marie is blij dat dit alvast geregeld is. Vers stro is er volop.

De schone stal inwijden
Nog geen week later is de stal uitgemest, geboend én gewit. De onderrand heeft van Marie zelfs een mooie strakke grijze rand gekregen. Het vullen met stro is het laatste klusje. Als ook dat klaar is gaan ze op zoek naar Betsy.
“Waar is ons Bets, waar heeft ze zich verstopt?”
Giechelend komt Betsy tevoorschijn. “Niet doen hè?!” Maar stiekem vindt ze het wel leuk.
“Eén, twee…” Bij drie gooien de broers hun zus, zoals elk jaar, in het zachte stro, om zo de stal in te wijden. Ach, traditie is nu eenmaal traditie.

Moeder bekijkt alles met een glimlach. Als ze maar schik hebben denkt ze bij d’r eigen. Dat de koeien weer buiten lopen is een magisch gezicht. Het houdt echter ook in dat ze weer bezoek van de Duitsers kan verwachten. Zodra die iets zien veranderen komen ze controleren. Ze heeft die soldaten liever niet op de misse. Vooral niet op zolder waar onder het stro een nieuwe fiets verstopt ligt. Met daarnaast hun trouwe grammofoon. Sinds de oorlog is uitgebroken is het verboden om naar de radio te luisteren en muziek te maken. Voorheen draaiden ze zondags altijd fijne muziek op de grammofoon. Dat missen ze op de zondagen het meest, de muziek, het meezingen en het dansen.

Hun handel
Het vee bestaat uit vier varkens, vier koeien en heel veel kippen. En na een bezoek van een beer, stier en haan wordt de familie uitgebreid met biggen, kalfjes en kuikens. Deze beestenboel levert de familie melk, eieren, boter en vele soorten vlees. Uiteraard voor eigen gebruik, maar hoofdzakelijk voor de handel. Nu, tijdens de oorlog, grotendeels als ruilhandel voor o.a. olie, landbouwonderdelen, suiker, koffie en mooie stoffen.
Dan is er nog het paard dat hen op het land helpt. En oh ja, Roosje, de waakhond. ’s Avonds, als de jongens te laat thuis komen van het buurten of vrijen bij hun meisje, sluipen ze heel voorzichtig naar de achterdeur. Doch ze kunnen nog zo zachtjes doen, Roosje hoort hen altijd en slaat dan oorverdovend aan. Betsy, die samen met haar zusjes Annie en Dora beneden slapen, hoort ze dan steevast zeggen: “Sssstt Roosje, ik ben het, goed volk, je bent lief, sssstt Roosje, sssstt rothond.”

Albert
De postbode is net langs geweest. Betsy loopt met de brief, waarvan ze het handschrift direct herkent, naar haar moeder.
“Mam, er is net een brief van ons Albert aangekomen. Hier.”
De brief is van haar oudste broer Albert die ze best mist. Hij werkt in Duitsland, in Mönchengladbach. Daar hij maar weinig naar huis mag stuurt hij regelmatig een brief aan zijn moeder. Meestal eindigt hij zijn epistels met een gedicht.
Betsy blijft bij moeder staan totdat deze hem openmaakt.
“En, wat schrijft ie mam”, vraagt Betsy ongeduldig.
“Even rustig, ik zal hem zo voorlezen, eerst kijken.”
Nadat moeder de brief heeft gelezen houdt ze de envelop op zijn kop en schudt er even mee. Elke keer hoopt ze dat Albert geld meestuurt, iedereen draagt immers zijn geld af tot aan hun trouwen.
“Onze Albert kan het allemaal weer mooi beschrijven. Maar loon, hola.”
Ze ziet Betsy vragend naar haar opkijken. “Ja, hij heeft ook weer een gedichtje aan toegevoegd.” Aan haar gezicht is te zien hoe ze geniet van Alberts brieven.
“Luister, zijn gedichtje:
‘Deze brief laat ik dwalen, over bergen en dalen, over water en land, dat hij mag landen in moeders hand’. Mooi hè.”

Trots
De brief met buitenlandse postzegel zet moeder hierna op de kast, goed in het zicht, zodat het bezoek kan zien dat Albert weer heeft geschreven.

Op bijgevoegde foto: links Albert en rechts Martien. Beiden broers van Betsy. Martien is bij zijn broer Albert op bezoek in Mönchengladbach.

Eten wat de pot schaft

De Tafel
Het tafelkleed ontbrak op de grote tafel bij ons in de Lagebaan
De vele eters schoven (soms luidruchtig) rond die tafel aan
Het bestek was eenvoudig: lepel, vork, soep- en sauslepel, schuimspaan
De dampende potten eten kwamen in het midden van de tafel te staan

De Soep
Zondags was er kip of rundsoep, er mocht altijd een mee-eter komen
De Doordeweekse soep was machtig, meestal van erwten of bonen
De bonen en erwten werden de dag te voren in water geweekt
Een hiel of ribkus van het varken, maakten de soep compleet

De Aardappelen
Ook de aardappelen (piepers) schilde men de avond te voren
Twee van de twaalf werden ‘tot ongenoegen’ daarvoor uitverkoren
Een emmer vol, en moeder maar roepen… “schel nie zò dik!”
Wij, de kleinsten telden de plonsen in het water, hadden samen schik

De Groente
Vele dagen in de week was het stamppot, van groenten uit eigen hof
Witte en savooienkool, wortelen, ook zuurkool of een en ander lof
Zaterdags deden ze spek bakken, daar deden ze schijfjes piepers in
Brood met spek, ook nog een bord brokkenpap, dat ging er altijd in

Het Vlees
Zondags kregen wij gekookte piepers en jus van vlees of groentenat
Het vlees was verse worst, kip of hachee van een grote varkenslap
Maar vrijdags was er haring en eieren, dan was het vastendag
Met rijstepap toe, wou iedereen dat het iedere dag vrijdag was

Het Nagerecht
Ook kregen wij zondags pudding, en werd nog iets lekkers beloofd
Van eigen fruit, kersen, bessen, bramen, werd nog een sausje gekookt
Iedereen bleef aan tafel, bang dat een ander hun portie wegnam
Ja, de grootste deden graag plagen, maakten de kleinsten graag bang

Bidden en Werken
‘Eten wat de pot schaft’, niemand mocht vragen, niemand deed klagen
Wij baden iedere dag ‘De Engel des Heeren’, soms met rammelende magen
Aan het eten werd vroeger heel veel tijd… en handwerk besteed
Niemand bij ons in de Lagebaan, heeft zich aan werk en eten verveeld

Gedicht geschreven door Betsy van der Zanden-van der Heijden

April 1944 Deel 1

Moeder is ziek
Het is zondag 2 april. Met hese stem roept moeder vanuit haar bedstee, verstopt in de Goeikamer, aanwijzingen.
“Marie, neem jij de tas met takjes mee? En Martien, jij die met de flessen.”
Broer en zus kijken elkaar aan en slaken een diepe zucht.
“Jaaaa mam,” roept Martien, “en ik zal oppassen en alles heel houden.”
Marie loopt toch nog even naar moeder om haar gerust te stellen.
“Doe maar rustig aan moeder, het komt goed. Ik heb alles voor het middageten al klaar gezet. Probeer nog maar even te slapen.”
Als zij met de rest van het gezin naar buiten lopen, klinkt er uit de vele monden ‘Houdoe’, ‘Houdoe moeder’!

Palmzondag
Het heeft die nacht gevroren. De zon die doorbreekt zorgt voor een magisch witte gloed over de weilanden maar het is nog wel fris. Betsy en haar broers en zussen hebben daar echter weinig oog voor. Die lopen al pratend, lachend en soms even zingend stevig door richting dorp waar om 10 uur in de kerk de Latijns gezongen Heilige Mis begint. Vandaag is het ook nog eens Palmzondag. De enige dag van het jaar dat pastoor Lammers water en palmtakjes wijdt. Vandaar die twee tassen waar moeder zo op hamerde. In één de flessen gevuld met water uit eigen put en in de ander de palmtakjes, ofwel buxus, van de struiken uit hun voortuin.

Haar hele hebben en houwen beschermen
Moeder kan niet zonder deze twee ingrediënten.
De twee wijwaterbakjes, één in de keuken en één in de Goeikamer, vult ze elke week bij zodat ze Onze Lieve Heer, te pas en te onpas, om hulp kan vragen. Voor een alleenstaande moeder met zo’n groot gezin ín oorlogstijd geen overbodige luxe… Ze doopt dan eerst haar vingertoppen in het wijwater, slaat vervolgens een kruis en bidt hierna de nodige Onzevaders en Weesgegroetjes.
Ditzelfde ritueel herhaalt zich ook elke avond voor het slapen gaan, maar dan door de jongsten van het gezin, om te danken voor de voorbije dag.

Met dat wijwater beschermt ze naast haar gezin ook de boerderij. Want met een dak van stro, wonend in het buitengebied, moet je immer alert zijn. Vooral bij onweer.

Noodweer
Mocht er ’s avonds of ’s nachts onweer uitbreken klinkt moeders stem luid: “Het onweer komt over.” Het sein om allen het uit bed te komen en samen het ‘rozenhoedje’ te bidden.
Volgen donder en bliksem elkaar steeds sneller op maakt ze, gewapend met wijwater en palmtak, een ronde om de boerderij om deze te zegenen tegen blikseminslag. Onderwijl gebeden prevelend, in de volle overtuiging dat het onweer hen zo geen kwaad meer kan doen.
Wanneer moeder even daarna, vaak zeiknat van de regen, weer binnenkomt is iedereen opgelucht. Het lijkt dan wel alsof ze een wonder heeft verricht. Het enige wat iedereen dan nog rest is het slaan van een kruisteken met moeders wijwater. Als het onweer afzwakt mag iedereen weer gaan slapen. Het gevaar is immers geweken, denken ze.

Mentale steun
In deze tijd van oorlog, van onrust, waarbij je immer moet oppassen, je niet teveel kan en mag zeggen, waar gevaar altijd op de loer ligt, is voorzichtigheid geboden. Wijwater, palmtakje en rozenkrans zijn daarbij een dankbaar hulpmiddel!

Begin van de Paasweek
Maar Palmpasen is meer dan het wijden van. Het luidt namelijk het begin in van de Paasweek, ook wel de Goede Week genoemd. Voorafgegaan door de vastentijd, welk gestart is op Aswoensdag.
Tijdens de vastentijd verdwijnen steevast alle snoepjes in een vastentrommeltje dat op Palmzondag eindelijk open mag. Het feestgevoel wat daarbij staat door de oorlog helaas voor de jongsten van het gezin op een laag pitje. April 1944 zijn de vastentrommeltjes zijn zo goed als leeg, valt er weinig te vieren. Enkel de opgespaarde snoepjes van bakker Wim Spanjers, de inhoud is snel verdeeld…

Zondagse Maaltijd
Terug uit de kerk wacht moeder haar kinderen op. Al hoestend en proestend wacht moeder haar kinderen op uit de kerk. Samen met hen wil ze genieten van het zondagmiddageten.
Een goed uur later schuift iedereen om de keukentafel.
Marie zet intussen een grote pan met een goed gevulde kippensoep op tafel en maakt aanstalten om voor iedereen de borden vol te scheppen.
“Zo, al hedde gullie al veel gebeden in de kerk, nou nog effe hier thuis voor deze maaltijd.” Moeder slaat een kruis. “In de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, amen.”
Omdat ze hierna buiten adem is neemt Betsy het gebed van moeder over waarna uit alle monden het Onze Vader en het Wees Gegroet klinkt.

Eten wat de pot schaft
Na de soep, de lege borden blijven staan, giet Marie de piepers af. Betsy en Annie helpen haar met de groenten.
Moeder kijkt vragend de tafel rond. “En hebben jullie nog familie gezien? Wie waren er allemaal?”
“Ik heb Pietoom en Janoom gezien, en Tante Kee en Dorusoom” vertelt Betsy, terwijl ze een pan op tafel zet. “Gij krijgt van hen de groeten, ze komen gauw eens langs zeiden ze.”

Moeder, die ondertussen alles in de gaten houdt, kan het niet laten zich overal mee te bemoeien: “Martien, jij zit het dichtst bij het fornuis, pak jij de gietijzeren pan op? Met pannenlappen hè, uitkijken, de pan is gloeiend heet!”
De geur van stoofvlees, van eigen vee, met veel uien vult de keuken als Martien de deksel ernaast legt.
Als alles op tafel staat en iedereen weer zit, vertelt Jan verder: “De kerk zat trouwens erg vol. Van hier uit de buurt waren ze er ook bijna allemaal. Maar ik zag er ook een paar die ik helemaal niet ken. Als, ik zeg áls,” benadrukt Jan, “áls dat onderduiklogées waren, nou dan zijn het wel échte waaghalzen.”
Moeder krijgt tijdens het eten op deze manier de laatste nieuwtjes uit het dorp, van wat de kinderen op het kerkplein hebben gehoord, door.
Zo vertelde Betsy nog dat ze door diverse mensen was aangesproken over de nieuwe kleding die ze voor hen maakt.
“Alhoewel ik bijna al mijn naaiwerk af heb, krijg ik het de komende week nog hartstikke druk. Iedereen wil er zondag in hun nieuwe kleding er natuurlijk op hun Paasbest uitzien.”
“Zo is het Betsy. Laat je wel weten wanneer er mensen hier van de week langskomen voor het doorpassen van hun kleding? De Goeikamer moet dan wel opgeruimd zijn.”

Tot slot
Het enige wat nog rest is het toetje.
Vandaag zijn dat de beschuitbollen, van bakker Wim Spanjers.
Door midden gesneden, overgoten met warme custard, afgemaakt met bramenjam. Betsy’s favoriete nagerecht.

De maaltijd van Palmzondag was opperbest. Volgende week echter, met Pasen, is het pas echt een feestmaaltijd. Dan zijn Dina en Corry weer thuis vanuit Gassel én helpen zij mee in de keuken. Dat belooft nog heel wat!
Het is oorlog, maar wonend op het platteland met godzijdank een moestuin, boomgaard én vee op stal en in de weide, is er aan eten geen gebrek.

Zondag 31 maart 2019, de eerste zomertijd-dag

Uitslapen
Afgelopen nacht is de zomertijd ingegaan, wat een uur korter slapen inhoudt. Mijn biologische klok wil daar niet aan en ben daarom ’s morgens niet vooruit te branden. Ik verschuil me, om wakker te worden, met een grote pot thee achter de computer. Ik besluit het rustig aan te doen. Op Facebook geef ik enkele reacties op berichtjes, daarna is het hoog tijd om mezelf op te frissen en aan te kleden.

Open Huis
In een plaatselijk krantje had ik iets gelezen over een Afscheidshuis hier in Beuningen. Ik besluit daar naar toe te gaan. Na een warm welkom krijg ik een rondleiding waarbij ik alle uitleg krijg over het mooi ingerichte pand en het ontstaan van hun onderneming. Op hun vraag waar ik nu woon vertel ik hen meer over mij, over mijn link met hen, over Theo, over mijn boek, over Siebengewald en over de verhuizing naar Beuningen. Het gevolg zijn mooie interessante over en weer gaande gesprekken. Na een kop thee zeg ik hen gedag.

Ontmoeting
Buiten gekomen loopt op dat moment een oudere dame voorbij. Zij spreekt me aan met de vraag of ik toevallig richting Nijmegen moet?
Zij heeft er al een flinke wandeling op zitten en is best moe.
‘Moet u hier in Beuningen zijn?’ vraag ik.
‘Ja, drie straten verderop rechts.’
Dat is dus iets verder dan waar ik woon. Ik open de bijrijders portier van mijn auto en nodig haar uit. ‘Stap in, dan ik breng u wel naar het adres waar u moet zijn.’
Een beetje pruttelend met ‘Dat hoeft nou ook weer niet’ stapt ze in. Best grappig als je bedenkt dat het haar eigen idee was!

Onmisbare auto
Met behulp van haar aanwijzingen stop ik na bijna 2 kilometer voor het aangewezen huis. Te voet was het voor haar anders nog best een flinke trippel.
Terwijl we stil staan praten we nog even verder. Onderweg heeft ze me al verteld dat ze door een ongeval even geen auto rijdt. Op zo’n moment besef ik maar weer eens hoe belangrijk een auto voor mij is, hoe afhankelijk je daar in je uppie van kan zijn. Dat is dan ook een van de redenen geweest om te gaan wonen waar ik nu woon, dicht bij het openbaar vervoer.

Afhankelijk van…
Het gesprek komt op onze overleden mannen, voor haar 11 jaar geleden en bij mij 7 jaar. Ze vertelt dat ze hiervoor altijd voor iedereen klaar stond. Nu ze echter zelf wat vaker een beroep moet doen op een ander, als zelfstandig iemand heel moeilijk, voelt dat voor haar toch vreemd aan. De volle agenda’s gooien vaak roet in het eten. ‘Helaas, vanmiddag komt niet goed uit…’ hoort ze dan regelmatig.

Begrip
De gespreksonderwerpen worden steeds persoonlijker. Zo praten we over het openstaan voor een andere partner, dat wij er niet naar op zoek zijn, over de arm om de schouders die we missen, over het met iemand naar een theater willen gaan. In no-time vertellen we elkaar heel veel, precies zoals mensen dat kunnen doen die elkaar niet kennen. Zonder vooroordeel, zonder achtergrond, puur, elkaar met één woord aanvoelen en begrijpen in het alleen zijn zonder je partner.

Bijgekletst
In het huis waar we voor staan zie ik weinig bewegen.
‘Weten ze dat je komt?’ vraag ik.
‘Nee, maar ze zullen wel achter bezig zijn.’ En met een grote lach op haar gezicht vertelt ze verder, ‘en ach, anders loop ik weer zoetjesaan naar huis, ik ben nu weer uitgerust.’

Ze doet de deur open en klautert de auto uit.
Met een ‘dank je wel’ en een ‘tot ziens’ zeggen we elkaar gedag.
In mijn achteruitkijkspiegel zie ik haar voorzichtig de opzit oplopen. In het zonnetje. Tjee, zulke ontmoetingen geven mijn dag een gouden randje!

Zwemmen
Tijdens de rit terug naar huis zie ik langs de weg op een bordje ‘Zwembad De Plons’ staan en besluit die op te zoeken voor info over de zwemmogelijkheden voor mij. Ik heb tenslotte dat mooie badpak vorige week niet voor niets gekocht! Na een duidelijke en vriendelijke uitleg loop ik 10 minuten later met een folder naar buiten. Hier ga ik terug komen, dat is zeker!

De laptop
Thuis kan ik mijn draai niet meer vinden, de gesprekken van deze middag spoken in mijn hoofd. Ik duik maar weer achter de computer.
Op facebook aangekomen valt mijn oog ineens op een bericht over een concert in Heerenveen. Omdat het de titel ‘Annelies’ heeft wil ik er meer over weten, zeker als ik zie dat die naam gekoppeld is aan Anne Frank. Het blijkt te gaan om een oratorium van James Whitbourn. De uitvoering is op Dodenherdenking, 4 mei a.s.

Anne versus Anneliese
Ik verbaas me erover dat ik mijn naam, Annelies, nog nooit eerder in combinatie met Anne Frank heb waargenomen. Dit ga ik uitzoeken. Mijn naam heeft dan wel een extra ‘e’ op het eind, maar toch.
Terwijl ik mijn naam met die van Anne Frank intoets, wat bijna aanvoelt als heiligschennis, komen er vele hints te voorschijn. Zoals deze die ik jullie niet wil onthouden. Als ik dan ook nog de extra ‘e’ bij Anne Frank ontwaar krijg ik spontaan kippenvel… (even op deze link klikken)
Documentary Anneliese Marie Frank

Bijzondere dag
Zondag 31 maart 2019, de dag die ik gewoon op zijn beloop liet, vertelde mij in een spanne van nog geen 12 uur vele verhalen, hoe bijzonder!

En hoe verliep jullie zondag? Rustig? Spannend? Willen jullie het ook delen?

Lieve groet, Anneliese