‘Rebelse Tonny’

Zaterdag 7 maart start in het hele land de Boekenweek. Zo ook in de regio van ‘Het land van Cuijk’ waar BiblioPlus, Stichting de Kneep én Schouwburg Cuijk de handen ineen slaan met festival ‘Boek & Bal De Kneep’. Het thema dit jaar is ‘Rebellen & Dwarsdenkers’.

En kijk, dat dwarse, dat rebelse, dat spreekt mij wel aan. Ik maak mij er regelmatig, mét plezier, schuldig aan. De hoofdpersoon van mijn net uitgebrachte roman, m’n overgrootmoeder Marjanneke de Kleijn, was daar ook niet vies van.
Maar eerlijk gezegd spant op dit moment voor mij Tonny de kroon.
“Wie?”, hoor ik jullie nu vragen. Tonny, een kranige 90-jarige dame waar ik over mag schrijven in mijn volgende boek. Bloemrijk vertelt zij mij haar levensverhaal. Heerlijk om te horen én te zien hoe zij in het leven staat. Beleefd maar recht voor de raap, eerlijk en oprecht. Het respect van mij voor haar groeit na elk interview meer en meer.
Nee, met haar maak je de kachel niet aan! Tonny, wat ben jij een dapper mens!

Zo staat zij, wanneer de juf even de klas uit moet, als zevenjarig kind voor de klas. Parmantig neemt zij de les over en verbetert en passant een klasgenootje. “Nee, het is hoofd, geen kop.” Om daar pedant aan toe te voegen, “Hier in de klas spreken wij netjes.” Met Tonny ging je toen al, zo jong als ze was, duidelijk niet dollen.

Zij interesseert zich voor haar gemeenschap en sluit zich aan bij de Katholieke Vrouwen Organisatie. Haar kwaliteiten blijven niet onopgemerkt en reeds op haar 19e wordt zij voor toen de jongste voorzitter ooit van deze KVO. Dit voorzitterschap oefent zij met verve uit totdat ze, net getrouwd met haar jeugdliefde Toon, het grote avontuur aangaat.

Ondanks een flink protest van haar ouders, de liefde voor haar kersverse man overwint, emigreert zij samen met Toon naar de andere kant van de wereld. ‘Die zien we nooit meer terug’ denken vader en moeder. Dit hakt er bij Tonny hard in en doodziek van verdriet, vooral omdat haar ouders geen afscheid van haar wilden nemen, komt zij aan in Australië. We schrijven 1956.

Maar Tonny hervat zich. Al snel beseft ze dat, willen zij en haar man daar in het verre Australië iets bereiken, ze niet bij de daar wonende familie moeten blijven hangen. Tonny denkt buiten de geijkte wegen. Gaat regelmatig tegen de draad in. Heerlijk eigenwijs! Zo gaat ze om de taal goed te leren drie maanden werken en wonen bij een Australische herenboer. ‘In no time’ heeft zij dan ook de Engelse taal onder de knie. Tonny pakt door en kort daarna starten zij hun eigen bedrijfje, een share-farm. Niemand van de toen met hen mee geëmigreerde Hollanders die dat in zo’n korte tijd lukte, zij wel.

Ondernemen is risico’s nemen, is durven en is ook weten wanneer het goed is of tijd is om nieuwe stappen te zetten. Dat heeft ze gedaan als zevenjarige, als negentienjarige, als zesentwintigjarige, als dertigjarige. En nu als negentigjarige, een dametje, wonend op het Brabantse platteland met om de haverklap strooiend met Engelse woorden. Klein van stuk, maar nog steeds met spierballentaal.
Rebelse Tonny’, dat klinkt verdomd goed, als een jas die haar past!

Lachende Tranen

Het is vandaag de laatste dag van de Poëzieweek 2020.
Deze sluit ik af met het gedicht dat mam schreef, kort na het overlijden van ons pap.

Lachende Tranen

Lachen
Lachen, met iedereen telkens weer
Lachen, bij het danken wel duizend keer
Lachen, niet klagen maar tevreden zijn
Lachen, weinige begrijpen en zien de pijn
Lachen, met kinderen en kleinkinderen telkens feest
Lachen, herinneringen of het gisteren is geweest

Tranen
Tranen, die veranderen eensklaps in een lach
Tranen, die niemand, niemand zien mag
Tranen, iedere avond weer
Tranen, iedere morgen, waarom Heer?
Tranen, weg bij een klik van de telefoon of bel
Tranen, zomaar weg maar ze zijn er wel

Lachende tranen
Tranen, wegstoppen, vandaag samen
Lachen, verscholen in vele, vele tranen
Tranen, iedere dag nog zoveel vragen
Lachen, met iedereen die om je geeft
Tranen, je voelt het als je dit leest
Lachende tranen, vertellen dat het goed is geweest

Betsy van der Zanden-van der Heijden
21-10-1926   –   26-08-2019

 

4 februari ‘Wereldkankerdag’

Een dag om even bij stil te staan.

Raar, hoe zacht ik het woord ook uitspreek, het klinkt altijd hard in mijn oren. Het heeft zo’n nare klank.
Raar, maar het klinkt ook vertrouwd. Omdat het helaas voor mij en velen om mij heen een onderdeel van het leven is geworden. We kunnen er niet meer omheen, we kennen allemaal wel iemand die deze ziekte heeft of heeft gehad of er daardoor niet meer is.

Misschien ben jij nu wel degene die dit overkomt, die deze grote PECH heeft.
PECH ja, zo noem ik het altijd. PECH wanneer een kankercel, die bij iedereen ergens in het lichaam verstopt zit, plotsklaps begint te delen. Waarom? Daar hebben wij blijkbaar geen controle over. En dat vind ik dus dikke vette PECH.
En je hebt GELUK als de medici je kunnen helpen. Zij doen elke dag hun stinkende best om die rotziekte te verbannen.

Deze dag sta ik stil bij mijn man Theo, overleden aan galwegkanker.
Negen jaar geleden verbleven wij rond deze tijd een lang weekend in Friesland, om precies te zijn in Leeuwarden. Samen hebben we toen met de auto de Elfstedentocht gereden. Aangekomen bij het eerste bruggetje stapten we uit om daar voor de gein te juichen, voor de in onze verbeelding duizenden schaatsers. Met de televisiebeelden van eerdere tochten op ons netvlies, zagen wij ze bij wijze van spreken onder ons doorzwoegen. Hierna stopten we op elk bruggetje en telkens gingen onze armen de lucht in. De mensen die ons toentertijd zagen, zullen wel gedacht hebben, wat een malloten. Maar wij hadden schik!

Vaak denk ik terug aan dat weekend omdat Theo na die bewuste dag niet meer zo goed meer in zijn vel zat. Het glaasje wijn smaakte anders, hij was vaker moe en dook dan vroeg zijn bed in. Op zijn verjaardag, 15 april, kreeg hij ineens felle pijnscheuten in zijn rechterschouder. Die bleven hem vanaf dat moment lastig vallen. Pas eind mei gingen alle alarmbellen af en gingen we het traject huisarts – ziekenhuis in. De twee maanden daarna waren erg intens, verdrietig, wanhopig en uiteindelijk berustend. ‘Vechten en strijden’ kwamen niet ons woordenboek voor. Daar konden we niets mee, het ging allemaal te snel. We hadden te dealen met het woord PECH.

Dit alles, Theo – ik – samen – ons leven – en later mijn leven alleen, heb ik een plek gegeven in mijn eerste boek, ‘Was er maar een recept voor rouwen’. Hierin haal ik ook ‘toeval’ aan, dat toeval niet bestaat. In een blog voor ‘Ik mis je’ heb ik dat als volgt omschreven: ‘Als god iets wil, verkleed hij zich als toeval’

Afgelopen zondag dronk ik, na een voorstelling die ging over het leven van Wim Sonneveld en Friso Wiegersma, nog met enkele mensen een glaasje wijn. Rouw was het onderwerp van gesprek, hoe we dat beleefden, dat we het duidelijk allemaal anders deden. Over één ding waren Hans, de laatste partner van Friso, en ik het hartgrondig eens: het koesteren van mooie herinneringen, samen met onze partners, is o zo belangrijk. Het geeft hem en mij vreugde en kracht. Tot slot waren we het er ook over eens dat ons gesprek óók geen toeval was.

Vandaag steek ik weer een kaarsje aan, voor hen die we missen, op deze speciale herdenkingsdag…

Waar eens mijn wiegje heeft gestaan

Tijdens de ‘Poëzieweek 2020’ wil ik graag een gedicht aanhalen van mijn moeder Betsy van der Zanden-van der Heijden.
Zij heeft het geschreven op haar 65e verjaardag, 21 oktober 1991.

Waar eens mijn wiegje heeft gestaan

De Laagheij – Lèghèi – Lagebaan – de Lage Baan
in drie eeuwen veranderde hij met beetjes van naam. 

Daar was vroeger veel heide, véél vroeger een gedeelte moeras
maar nu is er weinig meer te zien van hoe het vroeger was. 

Ieder metertje land werd met noeste arbeid gewonnen
zelfs mijn vader heeft +/- 1920 nog een stukje land ontgonnen. 

Waar hebben vroeger toch al die strûtjes gelegen?
Ja, zelfs in de jaren 30 waren er nog geen goede wegen. 

En ieder huisje had een strooien-dak in die tijd
de keutertjes hadden veel kinderen, een paar koeien en een geit. 

De Lage Baan is nu een rijk gehucht
maar met nog steeds dezelfde maan en de mooie blauwe lucht. 

Misschien wordt er niet meer zoveel gezongen als toen
maar ieder voorjaar wordt het weer lente, wordt alles weer groen. 

De Laag heij – Lèghèi – Lagebaan – De Lage Baan
heeft 65 geleden mijn wieg eens gestaan.

Sneeuw

Gisteren keek ik op mijn laptop en zag de volgende weersverwachting: ‘Zon en enkele buien, lokaal hagel’. Met geen woord repten ze over ‘sneeuw’, wel hagel.
Maar of dat ook telt voor de ‘Internationale dag van de Sneeuw’?

Denkend aan sneeuw zie ik vooral beelden van een wit landschap in Siebengewald van de laatste 20 jaar voorbijkomen. Daar lag voor mijn gevoel elk jaar wel sneeuw. En denk ik aan een dik pak sneeuw, en dan bedoel ik ook echt een héél dik pak sneeuw, gaan mijn herinneringen verder terug, naar Oostenrijk, naar Pertisau. Want dat was héél speciaal. Waarom? Wil je weten wat daar gebeurde? Lees dan hieronder mijn verhaal/blog!

Stel: je bent hartstikke verliefd en jouw vriendje vraagt of je mee wil op skivakantie. En dat terwijl je dat eigenlijk verafschuwt. Dan zeg je gewoon volmondig ja. Want op dat moment maakt het niet uit waar je samen naar toe gaat, áls je maar samen weggaat.
Zo gebeurde dat ook bij mij. Onze eerste vakantie, van Theo en mij, naar Oostenrijk.
Het grappige aan dit verhaal is dat híj dacht mij hiermee een plezier te doen. In werkelijkheid was hij er ook totaal geen liefhebber van. Veel te bang iets te breken waardoor hij dan de baas met grote problemen zou opzadelen.
Nou, dat was een goede start van ons leven samen haha. Maar vanaf dat moment wisten we wel dat ‘duidelijk zijn naar elkaar toe’, om nog meer misverstanden te voorkomen, erg belangrijk was. En niet alleen maar willen pleasen.

Uiteindelijk hebben we toch een schitterende vakantie gehad met onvergetelijke hilarische momenten. We hebben niet geskied. Nee, wij gingen wandelen, lekker klossen in de sneeuw, dorpjes verkennen. En we gingen de berg op om daar boven te genieten van het uitzicht. Dat Theo last had van hoogtevrees wist ik, een beetje dacht ik. Maar de open stoeltjeslift bleek voor hem té heftig. Zo stoer als hij was toen we naar boven gingen, zo stellig was hij over de terugtocht. Met diezelfde lift naar beneden durfde hij niet meer. Dus dat werd lopen, met de wind in de rug daalden we de berg af. Via een pad dat ons door de uitbaters van het restaurant boven was aangegeven.

Het was een lange wandeling die uren duurde, met smalle en gladde plekken. Ondanks dat het een hachelijke onderneming was, hielden we de moed erin. We probeerden zoals altijd overal maar een grapje van te maken. Ook van de kleine boompjes langs het pad. Althans, we gingen ervan uit dat het jonge aanwas was.
We werden stiller en stiller en helemaal verkleumd kwamen we in de vallende duisternis aan in het hotel. Daar hoorden we dat dat pad tijdens de winter afgesloten was, verboden om daar te lopen, oeps.
En die boompjes? Dat bleken de toppen van minstens 30 meter hoge dennenbomen te zijn. We beseften ineens dat één stap naar links voor ons die middag fataal had kunnen zijn.

Maar ach, ’s avonds aan de bar met een heerlijk glas wijn, weer helemaal opgewarmd, hadden we weer volop praatjes. En communiceerden we en leerden we elkaar steeds beter kennen. Het was een vakantie waar we nog vaak aan terugdachten, eentje van veertig jaar geleden…

Australië brandt

Na het afronden van mijn boek over Marjanneke in Dordrecht, wijd ik me nu aan Tonny in Australië.

Begin december zat ik daarom, met mijn dictafoon in de aanslag, bij Tonny om te praten over haar emigratie, in 1956. Uiteraard kwamen de flinke branden, die anno nu in Australië woeden, ter sprake. Haar herinneringen gingen daardoor automatisch terug naar de hittegolf van toen, naar de Australische zomer van eind 1958 begin 1959. Ze trok me helemaal mee…

Ze was in het lokale ziekenhuis net bevallen van haar dochter. Eenmaal thuis kwamen de verpleegsters, uit dat ziekenhuis uit voorzorg, vanwege de extreme hitte elke dag een paar keer langs om te checken of alles goed ging met de kleine. En dat bleek geen overbodige luxe! (hierover later meer)
Ook reden er toen de hele dag wagens rond die bij alle huizen ijsstaven afleverden. De koelkasten konden het door de hoge temperaturen niet bolwerken.

Tonny zag, proefde en voelde bij wijze van spreken die middag dat we bij elkaar zaten wéér die zinderende hitte. Daarbovenop vertelde ze was het bij hen nooit windstil. 24 uur per dag, zeven dagen in de week, maand in maand uit, het waaide daar altijd. Vanuit het dorre binnenland richting het zuiden, richting hun woonplaats Foster en richting de oceaan.
De wind was verschroeiend heet.

Hittegolven zijn in Australië echter geen uitzondering, maar die van nu overtreft alles, deze heeft Australië in de houdgreep. Branden die alsmaar doorwoekeren, door de droogte, door de harde wind. Sommige van die branden blijken te zijn veroorzaakt door roekeloos gedrag zoals een brandende peuk weggooien of slordig omgaan met een kampvuurtje terwijl alles kurk- en kurkdroog is…
Met als trieste resultaat dat deze branden 26 levens hebben gekost. Duizenden huizen zijn vernietigd en miljoenen hectaren bos liggen in de as. En dan durf ik bijna niet te denken aan de dieren die intussen zijn omgekomen. Naar schatting al een half miljard!
Iedereen voelt zich zo machteloos…

En dan hoor ik op het nieuws dat er 207 brandstichters zijn opgepakt. Niet te geloven! Mensen die dus bewust iets in de fik hebben gezet! Waarom?
Hen staan zeker zware straffen te wachten, dat kan niet anders. Maar de omgekomen mensen en de vele koala’s, vogels, reptielen en kangoeroes krijgen we er helaas niet meer mee terug…

6 januari 2020

Deze dag staat voor mij, als katholiek meisje, natuurlijk voor ‘De Driekoningen’ ofwel Melchior, Balthasar en …. Caspar’.

6 januari, het is de dag dat wij als kind, met een deken over onze schouders, de huizen in onze straat afgingen. Volgens mij met mijn jongste broer en zijn vriendje. Dan belden wij overal aan en zongen ons lied.

Driekoningen, Driekoningen,
geef mij‘ne nieuwen hoed.
M’nen ouwe is verslete,
‘smoeder mag ‘t niet wete,
‘svaoder hèt gèn geld,
Geef me asjeblieft unne cent.

Bij de een kregen we een paar stuivers, bij de ander een mandarijntje.
Het was vaak de laatste dag van de Kerstvakantie. Rillend van de kou kropen we dan na onze toer bij óf het fornuis in de keuken óf bij de kachel in de woonkamer.

Die herinnering van toen vertelt me ook dat mam van deze dag altijd iets feestelijks maakte. Pas jaren later begreep ik waarom.
6 januari was namelijk ook de dag dat haar vader is geboren. Helaas is hij veel te jong, toen mam pas 8 jaar oud was, overleden. Oma bleef achter met de zorg voor 12 kinderen.

Zoals jullie weten schreef mam vele verhalen en gedichten.
Vanwege deze speciale datum, 6 januari, ben ik even haar boeken ingedoken. Wat me blij én verdrietig maakt.
Daar stuit ik op een gedicht dat zij in het jaar 2000 schreef, dus op de kop af twintig jaar geleden. Twee strofes (in een lied zou je dit coupletten noemen) die over haar vader Kaspar gaan, heb ik uit het gedicht ‘Januari’ geplukt.

Tweeduizend jaar geleden werd voor ons opgeschreven,
de geboorte van Jezus, de ster, over de herders en de Driekoningen.
De bijbel, zo heet dat boek, ligt in hotels en in vele woningen.
Eeuwen later werd de naam ‘Kaspar’ met sierlijke letters
in een Schaijks geboorteregister geschreven.
Toen is de geboorte van mijn vader aangegeven.

Zijn naam Hendrik-Kaspar, zijn kribbe stond in de Lagehei.
Zijn ouders hadden geen zilver, mirre of goud,
geboren 6 januari 1877, hij werd slechts 57 jaren oud.
Zijn naam wordt ieder jaar weer op de kalender geschreven,
de naam Kaspar zullen wij en onze kinderen nooit vergeten,
een Driekoningen-naam is heel bijzonder moet je weten.

Naast dit alles was 6 januari ook altijd het moment dat we de kerststal ontmantelden en naar zolder brachten. De papieren kerstklokken, rood en wit, vouwden we voorzichtig op. Die verdwenen, met de andere kerstversieringen, in een grote doos. Zoals de kerstballen, sneeuwvogeltjes, piek en engelenhaar die we voorzichtig uit de kerstboom plukten. Met als stille getuige op de vloer, van een mooie Kerst die veel te snel voorbij ging, een grote berg dennennaalden…