Grijze natte wereld

Het is vroeg in de ochtend als ik in de auto stap. Langzaam rijd ik de straat uit. De ruitenwissers heb ik wakker geschud door ze gelijk in de hoogste versnelling te zetten. Het regent namelijk pijpenstelen.

Gisteravond heb ik uitgedokterd hoe ik vandaag het beste van A naar B kan rijden. Het is momenteel hopeloos op de wegen om me heen. Bijna alle snelwegen zijn afgesloten. Ik wil naar Weeze, bij Siebengewald net over de grens. Dus sla ik in plaats van linksaf nu rechtsaf en tuf ik door de blank staande wegen via Nijmegen, Ubbergen, Kranenburg, Kessel en Goch naar het restaurant waar een uitgebreid ontbijt klaar staat.
Het is ‘Burendag’, en al woon ik niet meer in Siebengewald ben ik toch uitgenodigd om me bij hen aan te sluiten. Gezellig, ik kijk er echt naar uit!
Onderweg heb ik alle tijd om te luisteren naar de radio, verhalen over de natuur, afgewisseld met klassieke muziek, lekker rustig.

Ik kijk om me heen en voel, ondanks de stromende regen, de kalmte in me neerdalen. Het Reichwald en haar heuvelachtig gebied eromheen heeft altijd dat effect op me. Heerlijk om hier te rijden, ik geniet en besef dat ik het mis. Ik moet hier vaker komen, neem ik me voor. Ondertussen dwalen mijn gedachten af naar mijn boekpresentaties. Want dat is zo fijn als je in je eentje reist, je bepaalt zelf het onderwerp van het gesprek dat je in je hoofd met jezelf voert. En bedenk ik iets belangrijks wat ik niet mag vergeten, dan ligt daarvoor de dictafoon klaar. Thuis kan ik mijn ingesproken boodschappen later verder uitwerken. Ideaal!

Maar goed, terug naar mijn wilde plannen. Dordrecht en Schaijk staan al op papier en zijn voor een groot gedeelte uitgewerkt. Nu wil ik Siebengewald nog aan dat lijstje toevoegen. Na het ontbijt ga ik daarom naar mijn oude vertrouwde plekje dat nu ‘De Tamme Kastanje’ heet. Want daar heb ik de eerste woorden voor mijn boek op papier gezet, daar ligt de oorsprong van ‘Marjanneke, stoer wijf’. Gek hè, toen wist ik al dat het boek deze titel zou krijgen.

Weer vijf uur later rijd ik terug naar huis, mijn lijf opgewarmd door zowel de brandende kachels als door de aandacht van de mensen om me heen. Te voelen dat je er nog bij hoort is iets heel speciaals. Deze ochtend zaten allemaal opgewekte mensen om me heen, allen betrokken met elkaar, pratend, luisterend, begaan met elkaars lief en leed. Dit was ooit zo en dat is dus nog steeds zo.
En ja, Siebengewald is nu ook geregeld. Zelfs degene die ik als gastspreker in gedachten had, is van de partij.

Thuisgekomen draai ik de thermostaat wat hoger en zet ik een grote pot thee. Vervolgens start ik de laptop op en leg de dictafoon klaar. Straks ga ik alles uitwerken, daar heb ik zin in. Maar eerst mijn moedertje bellen, zeggen mijn hersenen. En dan schiet ik vol. Hoe graag zou ik dat doen, even mam zeggen wat ik vandaag heb meegemaakt.
Ik kruip op de bank, rol me op en trek de plaid over me heen. Mijn ziel doet pijn, voor nu heb ik even andere warmte nodig…

Hadden ze in de 19e eeuw ook een ‘Burendag’?

Burendag 2019 versus 1884. Historische Roman: ‘Marjanneke, stoer wijf. (Over)Leven in Dordrecht, eind 19e eeuw’.

Burendag
Daar moest ik vanmiddag denken toen ik met de auto heel voldaan Weeze uitreed. Mijn oude buurt uit Siebengewald had namelijk, zoals elk jaar, een ontbijt voor ons allen georganiseerd. Ditmaal net over de grens bij Marktcafe Reuters. Met meer dan 30 personen streken wij neer aan de gedekte tafels. De innerlijke mens kwam niets tekort.

Bijtanken
Het was fijn om elkaar weer te spreken. Voor mij, als oudgediende van de buurt, was het een feest om iedereen weer te zien en vooral te luisteren naar hun verhalen. Ook ik wilde het mijne met hen delen.
Want toen wij elkaar vorig jaar, net voordat de verhuiswagens kwamen, gedag zeiden, spraken we af dat we contact zouden houden. De tweeëntwintig jaar dat ik daar woonde, waarin we veel lief en leed met elkaar hebben gedeeld, vlak je tenslotte niet zomaar weg. En het deed me goed hen te melden dat ik het ook in mijn nieuwe buurt weer goed heb getroffen! Dan ben je een gezegend mens, toch?!

Vroeger
Maar terugkomend op de kop van deze blog, hoe was dat vroeger? Stonden ze toen ook voor elkaar klaar?
Na alle research die ik achter de rug heb voor mijn boek ‘Marjanneke, stoer wijf’, weet ik nu dat dat toen ook zo was. Wat zou Marjanneke, mijn overgrootmoeder, geweest zijn zonder haar buurvrouwen Dineke en Mien.
Oeps, jullie zullen nu wel zeggen: “Wie? Waar heeft ze het over?”

Pssst
Ik zal jullie verklappen dat deze dames voor Marjanneke heel belangrijk waren. En Marjanneke ook weer voor hen. De term ‘Burendag’ ben ik in alle archieven niet tegengekomen. Maar volgens mij vierden ze dit elke dag van de week…

Interesse?
Voor wie meer wil weten hoe het Marjanneke eind 19e eeuw verging, het boek is in aantocht. Vanaf 13 november ligt het gedrukt en wel klaar voor jullie. ‘Marjanneke, stoer wijf. (Over)Leven in Dordrecht, eind 19e eeuw’. Link boek…

Lieve groet, buurvrouw Anneliese

Foto http://www.burendag.nl: een initiatief van Douwe Egberts en Oranje Fonds

Theo wist het wel…

Ik ga jullie iets vertellen van jaren, jaren geleden. Toen Theo en ik nog jong en onbedorven waren, zal ik maar zeggen haha.

We zaten op het terras van restaurant ‘Duurstede’ van Paul Fagel.
Het zonnetje stond vrij laag en Theo had daar best last van.
‘Zullen we van plaats wisselen?’, vroeg ik.
‘Graag!’
Theo zit nog maar amper op mijn stoel of hij wordt bedolven onder een super grote flats. Het droop van zijn voorhoofd zo op zijn broek, zo op de stoel. Verbouwereerd keken we elkaar aan. Althans ik, Theo had moeite om zijn ogen open te houden.
Ik stak mijn hand op en de gérant kwam direct naar ons toegesneld. Met zijn lief, vriendelijk gezicht, doch met altijd iets droevigs over zich, vroeg ‘Pierrot’ wat hij voor ons kon betekenen.
Daarop zei Theo de hilarische woorden: ‘hebben jullie hier vaker last van laag overvliegende koeien?’
‘Pierrot’ wist niet waar hij moest kijken, maar hij nam Theo direct mee naar achteren om hem weer een beetje toonbaar te maken.

Waarom ik jullie deze anekdote vertel?

Ik ben net met mijn auto erop uit geweest. Terwijl ik vanaf de Bruna terugloop naar de auto, laat ik bijna mijn gewonnen prijs van Puur! uit eten, het boek ‘Verrot Gezond’ uit mijn handen vallen.
Op mijn auto had zich namelijk iets héél verrots genesteld. En zo te zien zat het er al een paar dagen op.
Als eerste dacht ik aan de twee duiven van achter mijn huis. Zou het een wraakactie van hen zijn, omdat ik hun nest ik uit mijn plataan had verwijderd?
Of, en ja daar komt Theo om de hoek, zouden hier in Beuningen, net als in Wijk bij Duurstede toen, ook laagvliegende koeien wonen?

Weet je, zo komt Theo bijna elke dag wel even in mijn gedachten op bezoek. Even samen herinneringen ophalen. Ik praat, hij zegt niks terug.
Morgen is het zijn sterfdag, zijn achtste alweer. Maar de eerste hier in Beuningen. Hij is bij me, dat blijft voor altijd zo. Het voelt alsof ik samen met hem een grapje maak door samen een herinnering op te halen. Zo houd ik Theo dicht bij me. Morgen proost ik op het leven. Op het goede, grappige, smaakvolle, soms sikkeneurige, humoristische leven dat wij saampjes hadden.

Santé!

Juli 1944

Anneliese:
Juli 1944, wat herinner je van die maand mam?

Mam:
Juli, toen was het hoogzomer, en hadden de boeren het druk op het land.
Iedereen in ons gezin die thuis was, moest altijd zijn handen uit de mouwen steken.
Als de geur van vers gemaaid gras ons huis binnendrong, wisten we ‘er is werk aan de winkel’, hooien, met grote hooivorken, oppers maken. Dat was altijd een gezellige periode, want er werd veel gelachen.
En de fruitbomen langs ons pad, van de Lage Baan naar ons huis, hingen barstensvol rijp fruit. Pruimen, bessen, kersen en knoezels, ons moeder en Marie vulden de weckpotten. Op de kachel stond bijna elke dag wel een volle weckketel.

Anneliese:
Dus eigenlijk iets van alle tijden zo te horen

Mam:
Inderdaad, dat heb jij ook allemaal gedaan, toch?
Maar jij vraagt om juli 1944. Het zal toen niet anders zijn geweest.
Ach meidje, het was oorlog, maar alles ging zo gewoon mogelijk door. We waren wel alerter. Je moest altijd opletten op je woorden letten en ook tegen wie je wat zei.

Anneliese:
Noem eens wat.

Mam:
Neem nou onze grammofoon. Die hadden we verstopt op zolder want anders werd die ingenomen door de Duitsers. Maar er was niks zo mooi als muziek draaien. We hadden veel platen, van die bakelieten. Elke zondag werd die nadat we eerst allemaal naar de kerk waren geweest en hadden gegeten voor de dag gehaald. Bij mooi weer zetten we die op de stoep op een stoel bij de achterdeur. Dan zongen we mee met die liedjes. En er werd bij gedanst. Tijdens de oorlog is dat helaas niet zo vaak gebeurd. Maar als ie er stond was het feest!

Anneliese:
Liedjes die wij ook kennen?

Mam:
Oh, ik weet een hele rits. ‘Marie, die vrijt met een Huzaar een hele tijd, al haast een jaar’ en ‘Heb meelij Jet, heb meelij Jet, is er voor mij geen plaats meer in bed’. En dan ging het verder met: ‘Ik lig met mijn rug op een scherpe rand en hang voor de helft uit het ledikant’. Och, ze komen allemaal weer naar boven. Het waren allemaal meezingers. Net als ‘Mijn Sari Marijs is zo ver van mijn hart’ en ‘Ik heb vier jaar onschuldig gezeten’.

Anneliese:
Enkele ken ik wel, maar die van Jet en het ledikant heb ik nog nooit gehoord. Nog bekende zangers?

Mam:
Daar was een Kees Pruis, en Willy Derby, en ik herinner me ook een van der Sanden.

Anneliese:
Je schiet in de lach, wat is er?

Mam:
Er was ook een plaat met een kras erop. We moesten de naald meteen verzetten, anders gaf hij een herhaling waar moeder niet blij mee was. Het was juist een woord dat wij thuis niet mochten zeggen. Wat waren ze in die tijd toch streng!
Het gekke is dat we wel ‘zeikmei’ tegen een mier mochten zeggen, of ‘strontvlieg’ of ‘tiet tiet tiet’ als de kippen met kuikens werden gevoerd. En als je bang was werd je ‘schijtluis’ genoemd haha.

Anneliese:
En hadden jullie ook een radio mam?

Mam:
Nee, als ik het goed heb, waren er maar een paar in ons dorp. Onze buurman, Driek Verkuijlen had er zo eentje. Hij had er een sport van gemaakt om ’s avonds stiekem naar Radio Oranje te luisteren. Dat was natuurlijk ten strengste verboden. Soms trof hij het als tijdens zo’n uitzending Koningin Wilhelmina een toespraak hield. Al het nieuws kwam hij dan altijd meteen bij ons aan de keukentafel vertellen. Door hem bleven wij wel op de hoogte.
Ik weet nog dat mijn moeder, jouw oma, eens zei dat ze, in Dordrecht waar zij toen woonde, voor onze Koningin had mogen zingen, en voor de moeder van Wilhelmina, Emma. Dat was toen net voor haar 18e verjaardag, samen met heel veel schoolkinderen. Ze was toen 10 jaar oud.

Anneliese:
Dat is heel speciaal mam. Dat verhaal kan ik mooi gebruiken voor mijn boek dat ik nu over onze overgrootouders in die periode in Dordrecht schrijf.
Maar terug naar die radio. Wat kan je mij daar nog meer over vertellen?

Mam:
Jij weet dat ik in mijn boek ‘De Mobilisatie, De Oorlog, De Bevrijding’ het refrein van een liedje aanhaal. Dat gaat als volgt:
‘Ooo, mijn kleine schildersjongen,
wat ben je toch begonnen.
Want met al je mitrailleurs en bomme,
kan je nooit in Engeland komme.’
Dat is nou zo’n typisch cabaretliedje dat via Radio-Oranje werd uitgezongen. Dat heb ik dus van Driek geleerd. Maar dat was veel eerder dan juli 1944. Dat zal in het begin van de oorlog zijn geweest.
Jullie kunnen tegenwoordig toch alles op jullie telefoon opzoeken. Kijk maar eens of je hier nog wat van vindt.

Anneliese:
Grappig dat jij dat met jouw bijna 93 jaar zegt mam, maar ik ga het gelijk doen.
Verhip, ik heb het al gevonden! Luister: https://youtu.be/G2k2Gb3YbVg
En ja, het is van maart 1941.

Mam:
Zie je wel. Maar Anneliese, zoek straks ook eens die liedjes op die ik net opnoemde. Kunnen we die mooi samen zingen…

‘Juli’ Gedicht 1944

Juli, ‘hooimaand’, daarover waren vroeger vele gezegdes,
‘hooien als de zon schijnt, en nie mi al te veul wijnt’,
‘Als het niet op mijn hooi regent, zei boer van Santen,
dan weert het wel op mijn moesplanten’.
‘Maar lig je in Juli lekker te zonnen,
let dan op, de mieren zijn al aan hun hopen begonnen’.

Boer Jansen van de markt thuis gekomen,
zag zijn buurman druk doende met het hooien.
Hij had de oppers hooi aan de rand van het land gezet,
moe maar voldaan, het zweet droop van onder zijn pet,
zei hij: “Buur, ook op het landen ‘lijden’ er vele wegen,
de weerman zegt, alleen in het midden van het land regen’.

Juli: vanaf 18 juli tot 18 augustus zijn de ‘hondsdagen’,
vroeger waren die dagen grote plagen.
Ze hadden geen koel of vrieskist om vlees te bewaren,
een pan soep, een stukje vers spek of vlees,
waren meestal maar voor één dag goed geweest.
De hond had niet te klagen, vandaar de ‘hondsdagen’.

Juli: Sint Anna, het is Herpen waar Haar kapelle staat,
in Schaijk hebben wij een Sint Annastraat.
Een vrouw die moeilijk of ‘laat’ nog een baby baart,
ging vroeger in Herpen ter bedevaart.
Maar ook de vrijgezelle meid bad jaarlijks tot Sint Anneke,
‘Moeder Anneke… geef mij toch een manneke’.

Ieder mens in de wereld is gelijk…
De boer met zijn opperkus hooi, heeft graag zijn schaapkus op de drogen.
En de boer die gelukkig is, die in fabels doet geloven…

Betsy van der Zanden-van der Heijden

Juni 1944 Deel 2

Anneliese:
Mam, we hebben in ons vorige blog gesproken over ome Martin, maar je zei dat je ook nog een verhaal had over ome Dorus, de jongste broer van je moeder.

Mam:
Klopt, Dorusoom, of zoals hij in de volksmond ook wel werd genoemd, Dorus van Joosten. Joosten komt dan weer van zijn vader, mijn opa, die heette Joost met zijn voornaam, Joost de Kleijn. Kan je me nog volgen?

Nou, bij Dorusoom die in het ouderlijk huis aan de Scheisestraat woonde werd clandestien geslacht en vlees opgekocht. Tijdens de oorlog heeft hij menig pondje vlees stiekem vervoerd en verhandeld, onder andere naar Nijmegen waar zijn zus Kee en zwager Hendrik met hun gezin woonden.
Dorus vervoerde kolen, hout en aardappelen onder het toen bekende musterdhout.

Anneliese:
Musterdhout? Wat is dat nou? Daar heb ik nog nooit van gehoord.

Mam:
Dat was hakhout. Daar werden flinke bossen van gemaakt en dat noemden ze dan musterd. De bakkers waren de grootste afnemers, zij stookten daar de bakovens mee op.
Nou, en in dat hout verstopte hij, al vanaf het begin van de oorlog, menig pakje gekarnde boter en stukken vlees. Dat probeerde hij dan in Nijmegen aan de man of vrouw te brengen. Soms kreeg hij er geld voor maar soms ook iets heel anders wat hij in Schaijk en Reek dan weer wist te verhandelen.
Ach in die tijd gebeurde bijna alles clandestien, bonnen ruilen, gekarnde boter ruilen of verkopen, er werd overal gehandeld.
Dorusoom was daarop geen uitzondering, alleen ging hij vaak net een stapje verder, hij was een echte durfal.

In die tijd waren er ook regelmatig clandestiene noodslachtingen van o.a. geiten, varkens en soms een koe. De slachter deed zijn werk met groot gevaar. Lang mocht dat dier niet aan de leer (ladder) blijven hangen. Het werd dan gelijk uitgebeend en al die stukken moesten ze meteen verbergen. Dat waren altijd angstige momenten. Maar het allermoeilijkste was om dit verborgen te houden voor de kinderen want die mochten niet uit de school klappen. Dat was gevaarlijk.

Zo weet ik nog dat een man die bij ons achter op de Willibrordusweg woonde werd opgepakt. Hij smokkelde ook en werd nadat hij was verraden vastgezet. Toen die na een tijdje met een ongeschoren gezicht weer thuis kwam zette zijn dochtertje het op een huilen. Ze herkende de man met die baard niet meer terug als haar vader. Daar hebben we het nog lang over gehad.

Anneliese:
Mam? Je dwaalt af. Dorusoom?

Mam:
Oh ja. Hij had net zijn eigen koe geslacht. Hij had alles goed geregeld, alle deuren op slot gedaan en gezorgd dat de kleintjes hem niet voor de voeten zou lopen.
Maar één van zijn kiendjes was ziek en daarom kwam op diezelfde dag wijkverpleegster Zuster Keyenberg op huisbezoek. Voordat zij weer vertrok werd op de geut, de achterkeuken, zoals dat gewoon was, een mooi stuk vlees van de koe gesneden en in de tas van de zuster gestopt. Maar precies op dat moment werd er hard op de deur gebonsd.

Dorusoom schrok zich rot toen hij de deur opentrok en daar de Schaijkse politieman zag staan, met naast hem zijn grote herdershond. Hij dacht echt dat ie erbij was en opgepakt zou worden.

Maar zoals iedereen in Schaijk weet, was Zuster Keyenberg ontzettend bang van honden. Zij schreeuwde alles bij elkaar waarop de politieman gedwee zijn hond buiten aan een boom vastbond. Iedereen in het dorp, ook hij, had ontzag voor Zuster Keyenberg.
Maar groot was Dorus’ verbazing toen de politieman hem vriendelijk vroeg of hij een schaftkeet van de gemeente in het dorp met zijn paard en wagen wilde verplaatsen. Want naast dat hij vervoerder en handelaar was, werkte hij ook voor de gemeente. Hij deed regelmatig allerlei klussen voor hen.
Heel beleefd, en vooral opgelucht, zei Dorusoom tegen de politieman dat hij meteen zou komen helpen.
Nou was het zo dat op diezelfde dag in de Scheisestraat, recht voor zijn deur, wegwerkers bezig waren de karrensporen te slechten, je weet wel, de weg een beetje gelijkmaken. Die zagen dan ook even later de politieman samen met Dorus vertrekken.
In korte tijd ging in héél Schaijk het verhaal rond van: ‘ze hebben Dorus van Joosten gevat’.

De kinderen van Dorusoom en tante Trui de Kleijn, vooral mijn nichtje Dineke, die later met een zoon van die bewuste politieman Akkermans trouwde, konden hier later heel smakelijk over vertellen.

Anneliese:
Mooi verhaal mam. Maar vertel eens, was dat dezelfde Zuster Keyenberg die bij ons thuis bij mij inentingen kwam zetten? Dat herinner ik me nog als de dag van gisteren. Ik had een geel truitje aan en een groen plooirokje, korte witte sokjes en zwarte schoentjes met zo’n bandje met een gespje. Tjee, je haalt nu zelfs bij mij herinneringen van meer dan 55 jaar geleden naar boven mam!

En waar gaan we het in juli 1944 over hebben?

Mam:
Ik denk over onze grammofoon, die misten we heel erg. Want muziek maken, samen zingen en dansen was het mooiste wat er was. En ja, ook over Radio Oranje, onze buurman Driek Verkuilen luisterde daar toen stiekem naar…

Juni 1944 Deel 1

Anneliese:
Jij had ooms en tantes van zowel jouw vader en moeder, woonden die in de buurt? Hadden jullie tijdens de oorlog gewoon contact?

Mam:
De Van der Heijdens woonden in de Scheisestraat, daar kwamen we regelmatig.
Moeder had één zus en twee broers. Tante Kee woonde in Nijmegen, samen met ome Hendrik en hun gezin. Ome Dorus, wij zeiden altijd Dorusoom, en tante Trui woonden ook in de Scheisestraat en Ome Tinus met tante Hanna, haar noemden we tante Had, woonden vooraan in Reek, achter de witte molen in Reek dicht aan de Rijksweg.

Over ome Martin en tante Had heb ik wel een oorlogsverhaal maar die is van het begin van de oorlog. Maar omdat jij vraagt naar de familie komt dat als eerste in me op.

Toen 10 mei de oorlog uitbrak konden wij daar niet lang stil bij staan. De koeien moesten naar buiten, de stal uitgemest, de vloeren geschrobd en de muren gewit.
Wij hadden alles net schoon toen de eerste evacués zich aanmelden. En dat waren niemand minder dan Ome Tinus en tante Had uit Reek met hun dochter Lieneke en haar gezin. Zij woonden zoals gezegd langs de Rijksweg en durfden daar niet langer te blijven. Telefoon hadden we niet, dus ze stonden opeens bij ons op de ‘misse’, dat was het gedeelte voor de boerderij. De dorsdeel werd extra schoon gemaakt want de evacués wilden allemaal bij elkaar blijven. Ze nestelden zich in het achterhuis, met bedden op een laagje vers stro op de grond.

Anneliese:
Dus er waren ineens veel meer monden te voeden?

Mam:
We hadden genoeg, anders de buren wel.
De eerste dagen van de oorlog kon je de melk en de eieren niet leveren, er was dus veel in overvloed. Ook de buren hadden te veel en die kwamen even aanlopen met van alles ‘in de slip’. Ja je lacht nu, maar dan hou je je schort, scholk, omhoog, in een punt, dan creëerde je zo een zak of tas, snap je?
Maar goed, als de buurvrouwen dan kwamen aangelopen, met die scholk zo omhoog gebonden waren wij, de kinderen, altijd al nieuwsgierig wat ze naar elkaar brachten. Iedereen in de buurt kwam bij elkaar. Niet dat we dik bevriend waren maar in tijd van ziekte en nood, of als er een nieuw kindje kwam, dan waren ze er.
Dus ook toen ome Tinus en tante Had met gezin bij ons aanklopten.
Ik zie nog Trien van Piet Maassen voor me, ja dat vond ik het allermooiste, met worst en spekpannenkoeken. Trien had er zoveel gebakken dat ze alles in de grote hengel-soepketel had gedaan. Dat waren fijne buren. Iedereen at van de worst en de pannenkoeken en de verhalen werden tijdens het eten steeds sterker.

En wat ik me van die avond nog goed herinner is dat we ’s avonds vanaf die dag een extra weesgegroetje moesten bidden. Al zes jaar bidden wij ’s avonds (op de knieën) voor vader, overleden in 1934, gebeden. Maar nu kwam er een extra bij door de oorlog, voor de familie, voor de buren, voor de soldaten. Dat die oorlog maar snel voorbij zou zijn.

Anneliese:
Maar mam, nu hebben we het niet gehad over juni 1944.

Mam:
Ik weet nog een mooi verhaal over Dorusoom. Hij werd ook wel Dorus van Joosten genoemd. Joost was de voornaam van mijn opa.
Hij deed veel clandestiene slachtingen.

Anneliese:
Zullen we dat dan in een volgend verhaal vertellen?