Featured

Brieven aan mam

Zondag 22 maart 2020

Ha mam,
De afgelopen dagen/weken denk ik heel vaak aan jou. Nu zit jij altijd al veel in mijn gedachten, maar op dit moment nóg meer dan anders. Jou missen is er dan ook niet minder op geworden. Vooral onze telefoontjes, onze gesprekken over jouw ergernissen, over het schrijven, over jouw leven, jouw voorouders, over van alles en nog wat…

Waarom dit meer is dan eerst is misschien geen verrassing nu de wereld in brand staat. Het corona-virus grijpt op een beangstigende manier om ons heen. En daarbij moet ik steeds aan jou denken. Want hoe zou jij daar mee om zijn gegaan? Jij, als zieke oudere, 92 jaar oud en nog steeds zelfstandig wonend in Brabant. De provincie die het zwaarst getroffen is. En dan ook nog in Schaijk, onderdeel van de gemeente Landerd (samen met Uden en Boekel, volgens de statistieken, de brandhaard van het coronavirus).

Elke dag kreeg jij de hoognodige zorg van Thuiszorg. Lieve dames die ook bij vele andere kwetsbare ouderen over de vloer kwamen. Het onzichtbare coronavirus dat overal rondwaart had via hen zo makkelijk mee kunnen liften. Een scenario dat niet ondenkbaar is. De vraag daarbij was dan ook niet óf jij besmet zou raken, maar eerder wannéér! En dan hoor ik je in mijn gedachten al zeggen ‘ach, ik gebruik zoveel medicijnen, ik krijg dat virus niet’. Nou mam, die hadden nu niks voor jou kunnen betekenen. Jij had dan duidelijk in de gevarenhoek gezeten.

Sinds vorige week zijn de instructies ‘hoe gaan we om met het coronavirus in Nederland’ enorm opgeschaald. Het is een pandemie. En jij mam, jij zou in de frontlinie staan van deze corona-oorlog. Om de redenen die ik net al noemde.

Het zou ons nu zelfs verboden worden om nog bij jou op bezoek te gaan! Iets wat wij uit alle macht wel zouden proberen te doen…
Maar het gegeven wat me nu het meeste aangrijpt, is dat wie nu besmet raakt door het virus, het ziekteproces alleen zal moeten aangaan en naar alle waarschijnlijkheid zonder familieleden om zich heen eraan zal overlijden.

En dan denk ik terug aan hoe wij vorig jaar afscheid van jou mochten nemen. De dagen dat je nog thuis was op jouw vertrouwde stek. Hoe wij jou met velen naar jouw laatste rustplaats, naast ons pap, hebben gedragen.
Dat alles wordt nu de nabestaanden ontnomen. Met maximaal slechts 30 personen, met allen op gepaste afstand. Mensen die steun bij elkaar willen zoeken maar elkaar niet aan mogen raken, geen knuffels.

Mam, wat ik nu ga zeggen, klinkt misschien raar en hard, maar ergens ben ik blij dat jou dit alles als zieke oudere bespaard is gebleven. En ons. Hoe graag ook ik jou nog steeds naast ons in ons leven had gehad….

Dag mam, doe je daarboven de groeten aan allen die we missen? Tot een volgend schrijven!

Featured

Er was eens … (130 jaar geleden)

We noemen haar Elisabeth, Betje de Kleijn

27 oktober 1887 wordt in Dordrecht een meisje geboren, Elisabeth, dochter van Marjanneke en Joost de Kleijn-Klaassen. Zusje van Kee, Tinus en Dorus. Kind van een Oost-Brabants gezin dat in 1884 vanuit Schaijk naar Dordrecht verhuist. Op dat moment, eind 19e eeuw, is in Nederland de Industriële Revolutie op volle gang. Veel mensen vertrekken van het platteland naar de grote steden, om de armoede te ontvluchten, op zoek naar werk. Zo ook zij.

Wat is er nu zo bijzonder aan hen hoor ik jullie vragen. Nou, het zijn mijn overgrootouders. En dat meisje is mijn oma, roepnaam Betje.

Mooie stad Dordrecht

Altijd als de stad Dordrecht vernoemd wordt moet ik aan hen denken. Ik reageer ook altijd heel enthousiast met: ‘Mooie stad hè. Weet je dat mijn oma daar is geboren? Ze heeft er samen met haar ouders in horecabedrijven gewoond en gewerkt, eigenlijk net zoals ik dat nu doe. En, en …’ Tja, dan val ik stil, want meer weet ik niet.

Het zal een jaar geleden zijn dat ik met vriendinnen in een restaurant in Venlo zit. Eén van hen heeft Dordrecht bezocht. En ja, meteen herhaal ik weer datzelfde riedeltje. Op de terugweg naar huis bedenk ik dat dit maar eens moet ophouden, dat ik hier meer over wil weten. Het zijn verdikkeme mijn voorouders, het is mijn eigen geschiedenis. Achter het stuur van de auto besluit ik dan ook dat ik op onderzoek ga en ook dat ik er een boek over ga schrijven. Het is nu een jaar na het uitbrengen van mijn eerste boek en het kriebelt: ik wil weer schrijven, maar niet over rouw. Over mijn overgrootouders, mooi!

Op naar mijn moeder

Mijn moeder, net 91 jaar geworden, is mijn eerste aanspreekpunt. Wat kan zij mij nog vertellen over het leven van haar moeder, oma, opa, tante en ooms in Dordrecht? Ik weet dat zij 35 jaar geleden hier ook eens onderzoek in diverse archieven naar heeft gedaan. Dat relaas staat in één van haar drie boeken over de geschiedenis van onze families. In die tijd vond ik dat niet zo interessant. Maar ja, je wordt ouder en tijden veranderen …

Met pen en papier zit ik bij haar op de bank in de aanslag, laat maar horen mam. Haar boeken hebben we al doorgenomen, maar er staat over die 15 jaar in Dordrecht niet veel in. Ik hoop nu op overleveringsverhalen maar ook dat resultaat valt jammer genoeg tegen. Mijn oma, haar moeder, was erg jong, pas elf jaar, toen ze Dordrecht verliet, haar herinneringen die ze al heeft doorverteld zijn erg summier. Ach, in die tijd liet men het verleden vaak rusten, men keek vooruit. En oma had het erg druk met het runnen van haar grote gezin na het vroege overlijden opa. En buiten dat, ze was ook niet zo’n prater. Mijn moeder is het tiende kind in de lange rij van dertien. Haar oudste zus Marie, nummer één, had hier zeker meer over kunnen vertellen. ‘Maar’ zegt mam dan; ‘daarvoor moeten we naar de hemel’.

Archief in, archief uit

Mijn overgrootouders zijn dus eind 19e eeuw naar Dordrecht vertrokken. ‘Waarom precies, wie waren ze, en hoe verdienden ze daar de kost?’ Steeds meer vragen borrelen in me op. Antwoorden wil ik, en om die te vinden ga ik de hort op. Zo kom ik terecht bij het Regionaal Archief van Dordrecht. Zoeken naar mijn Dordtse roots: op zoek naar Joost de Kleijn en Marjanneke Klaassen, op zoek naar het leven van mijn overgrootouders in, voor toen zeker, het verre Dordrecht.

In die tijd ging je niet zomaar van A naar B. Er waren nog geen auto’s, er reed een enkele trein. Trekschuiten, stoomboten en paard met wagen waren toen de gangbare vervoersmogelijkheden. En je kon natuurlijk ook te voet gaan. De afstanden werden in die tijd ook aangegeven met: zoveel uur gaans. Ofwel, zoveel uur te lopen. Bij mij rijst dan direct de vraag op: hoe hebben zij die honderd kilometer overbrugd?

Hotel – Café – Koken – Recepten

Al zoekend in de archieven kom ik boterhandelaar Albers uit Grave tegen die in 1883 zijn boter/margarinefabriek verplaatst naar Dordrecht. Joost krijgt daar werk, al één jaar eerder voor ze definitief verhuizen. Van daaruit probeert hij de grote overtocht te regelen, een woning te vinden en een school voor zijn kinderen. Het blijkt dat het gezin de Kleijn op diverse adressen in Dordt heeft gewoond. Als eerste kom ik de Sluisweg tegen, en vervolgens het Geldelooze Pad, de Wijnstraat (Het Burgerhotel), de Cornelis de Wittstraat (Café de Ruwaard van Putten) en als laatste de Nieuwstraat. Hoe meer ik door mijn onderzoek te weten kom, hoe meer respect ik voor ze krijg. Een heel nieuw leven opbouwen in een voor hen onbekende stad, zoveel onzekerheid. Ze hadden wel lef! Ik krijg ook gaandeweg steeds meer een band met Marjanneke, mijn overgrootmoeder. Al is het alleen al door alle lekkere recepten!

Het boek komt eraan!

Zo heb ik bijna hun hele tijdlijn kunnen ontrafelen, al hun voetstappen. (En ik denken dat zoiets alleen maar bij beroemde mensen kan.) Ik ga de 15 jaar die mijn overgrootouders en hun kinderen in Dordrecht doorbrachten, met woorden weer tot leven te brengen. Daarvoor ga ik nu hard aan het werk, samen met een schrijfcoach die me ondersteunt en me achter mijn vodden aan gaat zitten. Mijn streven is om volgend jaar april-juni het boek te presenteren. Maar ik moet nog veel research doen. De werktitel voor nu is: ‘Marjanneke, een stoer wijf’ , maar die kan nog wel tig keer veranderen…

Via mijn website (www.hetweckparadijs.nl/blog) en facebookpagina’s (Anneliese Vonk / Het Weckparadijs – De Bourgondische Hoeve / Marjanneke, een stoer wijf) kan je zien hoe het boek zich ontwikkelt.

Gisteren, 27 oktober 2017, was de 130e geboortedag van mijn oma, een goede reden om even bij stil te staan.

Supermaan

De familieapp licht op. ‘Kijken jullie vanavond ff naar de maan?’
Maan? Intussen komt het volgende bericht binnen. ‘Jazeker, staat die heldere ster er vanavond ook?’ En dan gaat het los. ‘Bij mij wel!’ ‘Volle maan’ ‘Gezien’

Ik heb duidelijk iets gemist. Terwijl ik op mijn telefoon google, komen er berichten over een Supermaan voorbij. Een die deze avond én nacht aan de hemel staat. Ik scroll verder, want nu wil ik wel weten wat een supermaan écht is. Simpel uitgelegd: een volle maan die heel dicht bij de aarde staat.

Ik loop naar buiten om te zien hoe die supermaan er bij mij uitziet. Boven de daken van de achterburen zie ik inderdaad een grote en ‘n wel héél fel schijnende maan. Als bewijs dat ook ik hem heb gezien, maak ik er even een fotootje van. Binnen op de bank lees ik nog even de andere appjes en stuur vervolgens mijn foto door. ‘Mooi. Om 5 uur morgenvroeg is ie op zijn grootst,’ meldt mijn zwager. Nou ben ik meestal rond die tijd wakker, dus meld ik dat ik dan nogmaals een foto van de maan zal maken.

Het is donker en ik ontwaak uit een rare droom. De laatste tijd droom ik erg veel. Zou dat te maken hebben met het corona-virus, omdat ik nu veel alleen-alleen ben? Herkennen jullie dat ook? Stop, ik dwaal af. Dat is stof voor een volgende blog.
Ik kijk op mijn digitale klok, 05.15 uur. Ik wil me omdraaien, maar gelijk voel ik dat ik iets vergeet. Ineens weet ik het weer, de supermaan! Slaapdronken gooi ik mijn benen over de rand van het bed, grijp mijn telefoon c.q. fototoestel en strompel naar de logeerkamer. Met mijn ogen halfdicht zie ik een fel licht de kamer inschijnen. Zo, dat kan niet missen, dat is hem! Ik stel de camera in en maak een foto. Op het moment dat ik me omdraai zie ik in mijn rechterooghoek nóg zo’n fel licht. Dat is apart, twee manen? Dan schiet ik in de lach en maak een tweede foto, maar nu van de echte maan. Terug gekropen in bed kijk ik even naar de net genomen foto’s. Ik grinnik bij het zien van de eerste foto. Weggooien? Ach nee, een nachtelijke foto van de straatlantaarn is toch ook mooi!

‘Ik zie een ster’

Mijn herinneringen gaan vandaag 46 jaar terug in de tijd. Naar zaterdag 6 april 1974. De grote dag dat mijn zus en zwager in het huwelijksbootje stappen. Als (toen) 15-jarige vind ik dat heel spannend. En dat samen met mijn jeugdvriendinnetje die ondanks haar verjaardag die dag ook van de partij is.
Terwijl wij ’s avonds volop feesten, kijkt bijna heel Nederland thuis naar het Eurovisie Songfestival. ABBA wint en schrijft geschiedenis met het nummer Waterloo. Mouth and MacNeal eindigen voor Nederland als zevende met hun lied ‘Ik zie een ster’. Een knappe prestatie.

Ik maak nu even een flinke sprong in de tijd en kom uit bij augustus 2010, op het Vonken-weekend. Ontstaan eind jaren 70 nadat mijn schoonouders vanuit het westen naar het zuiden van Nederland verhuisden. Om vaders verjaardag niet te missen reisde de hele bups (elf zonen en dochters met aanhang en kinderen) met caravans en tenten voor een heel weekend af naar Reek.
Nu vele jaren later, pa en ma zijn ons reeds ontvallen, blijven we dat weekend nog altijd trouw. Wij, Theo en ik, hebben dit vele jaren bij ons in Siebengewald kunnen voortzetten.

Gedurende die jaren besloten we, om het weekend een beetje meer sjeu te geven, aan elk jaar een thema vast te koppelen. Met op zaterdagavond altijd een heuse Bonte Avond. Zo ook in 2010. Thema: ‘The V-Factor’, een parodie op het toen populaire programma ‘The X-Factor’.

Net als iedereen studeren ook wij, Theo en ik, een act in. De avond is een succes, er is zelfs een ‘filmploeg’ die alles op beeld vastlegt. Met ‘Ik zie een ster’ proberen wij de familie te vermaken. Door Theo’s komische en een beetje zijn ‘ik-moet-maar-ik-wil-het-eigenlijk-niet’ uitstraling lukt dat aardig! De avond eindigt zoals altijd in een grote kring rondom een groot kampvuur.
Gezellig praten, drinken, knabbelen en zingen. En ondertussen alweer stiekem plannen maken voor het volgende jaar.

Doch één jaar later belanden we midden in een nare film. Theo, mijn grote lief, moet het leven na een kort maar heftig ziekbed loslaten. Wie had kunnen bedenken dat ons liedje van toen, ‘Ik zie een ster’, werkelijkheid zou worden? Bij het horen van dit lied lopen dan ook altijd spontaan de rillingen over mijn lijf… Zo ook vandaag, 6 april 2020.

Ik zie een ster

Wat maakt je blij?

Die vraag kreeg ik vorige week voorgeschoteld. ‘Wat maakt je blij?’ Eerlijk gezegd wist ik daar toen geen antwoord op. Ik verkeerde denk ik nog steeds in een soort van shock na de laatste persconferentie. 6 april werd toen opgeschaald naar 1 juni. Zo ook de eisen waar we aan ons moeten houden. Dit alles zéér begrijpelijk, de ernst van de situatie is mij en heel Nederland heel duidelijk. Iedereen probeert daar met alle macht aan mee te werken.
Ik denk dat het ‘eenzaamheidsvirus’, zoals onze Koning Willem-Alexander dat zo mooi verwoordde, mij het meest trof. Ik zag de agenda leegstromen. Het ‘alleen zijn’ voelde nu écht als ‘alleen zijn’.
Het was voor mij weer zoeken naar de goede modus hoe hier mee om te gaan. Gelukkig lukt dat intussen goed!

Maar goed, op de vraag ‘wat maakt je blij’ had ik dus geen één-twee-drie goed antwoord. Er flitste alleen maar narigheid door mij heen. Voelde me zielig en had zin in een potje janken en even lekker klagen tegen mezelf, een ander wilde ik daar niet mee opzadelen.
Later besefte ik dat ik dat juist nodig had. Want daarna kon ik weer naar boven kijken en de lichtpuntjes zien die er zeker in deze tijd ook zijn.
Ik mág bellen, ik mág wandelen, ik mág schrijven, ik mág koken, ik mág tv kijken en ik mag nog véél meer.

Waarom ik op de vraag ‘Wat maakt je blij’ terugkom?
Omdat ik net een artikel lees in de Volkskrant over de corona-situatie in Amerika. Over hoe de stad New York geteisterd wordt door de grote aantallen zieken en inmiddels vele doden. Dan verwacht je dat iedereen in zo’n groot machtig land in actie komt om te helpen. Maar nee, zo denkt en werkt Amerika niet, althans niet het Amerika van nú onder leiding van President Donald Trump. Als je niet aardig bent tegen de president word je niet geholpen. Een mensenleven meer of minder, wat maakt het uit? Zolang je als democraat de republikeinen dwars zit, krijg je niks. Nou niks, vooruit, een aalmoes.
Je moet weten dat ik bij het lezen van dat artikel gewoon onpasselijk werd…

Lieve Heer, wat ben ik blij dat ik geboren ben in Nederland, wat ben ik blij met onze regering, onze Premier Mark Rutte. Hier wordt niet gekeken naar van welke politieke partij je bent of ras of geloof of wat dan ook. Wij zijn één. En samen met het RIVM en ons boerenverstand proberen wij deze ‘corona-oorlog’ te overwinnen. Dat doen we met z’n allen, niemand uitgezonderd. De een passief door thuis te blijven en zich te houden aan de opgedragen regels, de ander actief keihard werkend aan het front voor wie ik ontzettend veel respect heb. Ja, dat alles maakt me nederig, dankbaar én blij!

Vandaag ga ik op stap met mijn maatje

Voordat jullie denken ‘Een maatje, heb ik wat gemist’? Nee hoor, i’am still single. Ik bedoel, ik laat vandaag mijn auto uit.
Het is een automaat en ik noem hem daarom heel passend ‘mijn maatje’. Figuurlijk én letterlijk. Want ja, al is hij van ijzer en rubber en kan ie geen woord uitbrengen, hij is wel degelijk mijn maat. Altijd staat ie voor me klaar en zonder te mopperen rijdt ie met mij het hele land door.

Nu de benzineprijs zo zakt, in plaats van € 1,69 twee weken geleden nu € 1,49, zou ik een stuk goedkoper kunnen rijden. Maar ja, dan moet ik wel een reden hebben om de weg op te gaan. Echter die zijn ‘ons’ door het verschrikkelijke coronavirus ontnomen. Ik hoef nu niet naar Grave – Nijmegen – Dordrecht – Driel – Soest – Grubbenvorst, en welke plaatsen nog meer, voor boeklezingen, boek-events en streekmarkten. En ik hoef ook niet naar mijn fysiotherapeut, het Marikenhuis of naar het zwembad voor de wekelijkse reumazwemmiddag. Net als bij velen valt ook bij mij het leven stil. Alleen niet in mijn koppie. Die stroomt continu vol met verhalen die ik allemaal op papier wil zetten. Daarvoor kom ik ondanks de lege agenda zelfs tijd te kort!
Maar goed, de auto, mijn maatje. Stel nou dat die wél gevoel heeft, dan kan ik me voorstellen dat hij het nu ook heel moeilijk heeft. Stilstaan is niet zijn ding.

Vandaag staat op mijn lijstje badkamer soppen, maar ik heb daar helemaal geen zin in en verander het in ‘auto verwennen’. Ik zal straks eens een emmer sop maken en hem lekker insmeren. En als kers op de taart rij ik dan straks met hem een rondje, een beetje ‘doelloos met een doel’, een kort stukje.

Tja, dat is wat anders dan onze laatste grote rit hiervoor, die van vóórdat Mark Rutte ons toesprak. Die laatste keer mocht ik aanschuiven in de Trinitatiskapel in Dordrecht. Daar werd ‘Marjanneke, mijn overgrootmoeder, tijdens een mooie bijeenkomst opgenomen in de grote lijst van ‘Dochters van Dordrecht’. Al die dochters werden met een bloem vereerd. Voor ‘Marjanneke’ was dat de Boerenmargriet. In een onbewaakt moment zag ik gelukkig die middag kans om mijn boek te overhandigen aan Burgemeester Wouter Kolff.
Ik had zelfs een mooi gesprek met de Sinterklaas van Dordrecht. En met een heerlijk hapje sloot ik die gedenkwaardige dag af met een andere Dochter van Dordrecht. Nog net voordat de horeca op slot moest. Speciale momenten die voor altijd in mijn hart gegrift staan.

Maar goed, het zonnetje schijnt, het is hoog tijd om een sopje te maken. Hoog tijd om die kanjer van mij te laten ‘shinen’.

Parijs, september 1986

De musea zijn gesloten, vanwege het rondwarende corona-virus. Op de vraag welk museum ik in Parijs virtueel zou willen bezoeken, gingen mijn gedachten direct een heel eind terug in de tijd. Naar 1986, 34 jaar geleden. Een komische gedachte die wel leuk is in deze tijd van alleen maar nare berichten…
Geniet!

September 1986, Wijchen – Parijs

Als een stel uitgelaten tieners verzamelen we ons in de hal van het hotel. Theo’s moeder, zussen en broer met aanhang plus Theo en ik. We hebben ons net allemaal geïnstalleerd in de ons toegewezen kamers. De inrichting ervan vinden we hilarisch, typisch Parijs. Zo is de ruimte op onze kamer erg miniem te noemen. Op de badkamer kunnen we letterlijk onze kont niet keren. Maar wat doet het ertoe, we zijn in Parijs, dé stad waar het allemaal gebeurd, toch?!

De voorpret begon zes weken eerder toen één van de zussen van Theo een leuk weekendarrangement in de krant had zien staan. ‘Wie heeft er zin om mee te gaan? We reizen met een touringcar, die pikt ons overal in het land op. Het arrangement is inclusief een city-tour, een bezoek aan Versailles én de Moulin Rouge.’
De datum valt precies in de week dat wij met ons restaurant gesloten zijn. Zo kunnen wij mooi de kermis, die recht voor onze deur staat, ontvluchten. Theo en ik zijn om, wij gaan net als de vele andere familieleden mee.

Nadat iedereen tot rust is gekomen rijst de vraag, ‘Wat nu?’ ‘Naar buiten, wandelen’ wordt er geroepen. Na de lange busreis waar maar geen einde aan leek te komen (de chauffeur reed van hot naar her om alle passagiers op te halen, de route was voor ons een raadsel want wij zijn wel drie keer Eindhoven gepasseerd) hebben we er behoefte aan om onze benen te strekken. Het is al einde middag en besluiten de buurt te verkennen. Én om, terwijl we rondsnuffelen, gelijk op zoek te gaan naar een geschikte locatie waar we kunnen eten. Oh ‘pardon’, dat heet ‘naturellement’ ‘dîner’!’
’s Avonds vallen we doodvermoeid neer in ons smalle Franse bed waarbij we direct naar elkaar toerollen. En dat noemen ze in Parijs weer ‘l’amour’ hihi.

De volgende dag hebben we een druk programma. Na het wegwerken van een grote slobberbak koffie/thee en een croissant met een klodder jam, duiken we allen weer de bus in. Op naar Versailles, het voormalige paleis van ‘Le Roi Louis IX’. Met al die pracht en praal kijken we onze ogen uit. In elk vertrek/zaal/gang krijgen we een stuk historie mee van het oude Parijs van enkele eeuwen eer. Natuurlijk bezichtigen we ook de beroemde tuinen van het paleis. En uitgerekend op dat moment breken de hemelsluizen open. Totaal doorweekt van die enorme plensbui stappen we even later de bus in.

Aangekomen in het hotel spoort Theo mij aan om snel te douchen. Iets in hem zegt dat de boilers hier snel leeg zullen zijn. En dat klopt, door de dunne wanden heen horen we, terwijl wij ons afdrogen, enkele gilletjes en gvd’s. Het warme water was inderdaad snel op…

Daarna maken we ons gereed voor de city-tour én een bezoek aan de Moulin Rouges! De bus is al half vol als wij instappen. ‘Rustig aan’ zegt Theo tegen mij, ‘er is voor iedereen plaats’. Niet dus. Theo krijgt als laatste passagier een klapstoeltje aangeboden. Hij neemt daarop in het middenpad plaats en kan vervolgens niet meer op, voor- of achteruit. Theo zit tot hilariteit van iedereen hartstikke klemvast! De ene Vonkse grap na de andere buldert door de bus. Theo maalt daar niet om en doet gezellig mee. De stemming zit er goed in!

Na een ronde door de lichtstad én een dîner komen we aan in een zaal met ‘n nachtclubachtige ambiance. Helaas is dit niet de originele Moulin Rouge waar we zo op hoopten. De mannen hadden graag de Can-Can dames ontmoet, of danseressen verpakt in slechts enkele veren met hier en daar een opgeplakt flosje!

Vol verwachting zitten we aan kleine tafeltjes rondom de dansvloer te wachten op wat komen gaat. Ons is inmiddels duidelijk dat we zo vermaakt worden met een cabaretvoorstelling, een persiflage op de originele Moulin Rouge. Als de show start zien we al gelijk dat ze hier niet aan leeftijdsdiscriminatie doen. De dame op leeftijd weet ons echter goed te amuseren.

Maar dan. Of één van de heren in het publiek zich bij haar wil voegen. Je snapt het, niemand biedt zich aan. Dus plukt zij zelf iemand van zijn stoel. En of de duvel ermee speelt, ze pakt Theo’s hand beet.
Hij schrikt, stribbelt wat tegen, maar geeft zich snel over. De familie ligt bij voorbaat al dubbel van de lach. Het was duidelijk niet zijn dag haha. Maar Theo laat zich niet kennen en speelt het spelletje mee.
Eerst krijgt hij een schortje omgebonden en op zijn hoofd een witte kante muts gedrukt. Als ‘la touche finale’ krijgt hij een plumeau in zijn handen geduwd. Zie je het al voor je? Theo, mét schortje en muts? Om daarna ijverig de plumeau, op verzoek van de ‘Femme Fatale’, tussen haar ietwat verlepte borsten rond te draaien. Jankend van het lachen kijk ik toe.

Plotseling denk ik aan mijn schoonmoeder. Oeps! Wat zal die hier wel niet van vinden? Dit is toch hartstikke gênant voor haar om zo haar zoon te zien. Terwijl ik de tranen van mijn gezicht veeg, kijk ik voorzichtig richting haar. Maar gelukkig zie ik ook haar voluit lachen.

De rest van het weekend kon niet meer stuk. Je begrijpt dat Theo hiermee nog héél lang is gepest…

Roodvonk (1886) versus Corona (2020)

Corona heeft de wereld in zijn greep. Elk land vecht op zijn manier om dit virus tot stilstand te krijgen. Hulpverleners in alle soorten en maten staan klaar om waar ook een helpende hand uit te steken. We houden het niet tegen, het coronavirus treft iedereen. Op dit moment gelden geen rangen en standen, zijn we allen gelijk.

De wereld heeft vaker te doen gehad met grote epidemieën. Denk bijvoorbeeld aan de pest, of aan de Spaanse Griep nu precies 100 geleden.

Als ik het dichterbij huis zoek, in mijn familiegeschiedenis, ga ik terug naar de 19e eeuw. Nederland ging in de winter van 1885/1886 gebukt onder een roodvonkepidemie, een ziekte die net als corona overdraagbaar is via kleine druppeltjes in de lucht. Roodvonk had in die tijd vaak een dodelijke afloop. Maar net als de corona nu, had roodvonk toen ook een milde variatie.
Ik ben geen viroloog en om alles te begrijpen, neem ik net als jullie alle berichten over het coronavirus tot me. En daarbij laat ik me vooral leiden door het RIVM én de regering.

In de 19e eeuw was dit niet anders. Zo gaven de dienstdoende burgemeesters, via proclamaties, aan hun burgers door welke ziekte er heerste en aan welke regels men zich moest houden. Tevens gaven ze elke week door hoeveel personen er waren besmet en het aantal die eraan waren bezweken. Dit alles kwam ik tijdens mijn research in het archief tegen. De couranten van toen zijn heel indrukwekkend!

Het is maart 1886, de roodvonkepidemie is net als de winter op zijn retour, met nog enkele laatste stuiptrekkingen waart ie door de stad Dordrecht. Burgemeester H.A. Nebbens-Sterling geeft in de Dordrechtse Courant aan dat de Roodvonk bijna over is. Op de valreep raakt de 4-jarige Betje de Kleijn toch nog besmet. Ze moet in quarantaine. Marjanneke, haar moeder, moet dit alles machteloos aanzien. Wat nu? Herstelt Betje van deze nare ziekte? Hoe gaat Marjanneke en het gezin hiermee om?

De antwoorden hierop vindt je terug in mijn historische roman ‘Marjanneke, stoer wijf – (Over)leven in Dordrecht, eind 19e eeuw’. Een heel aangrijpend verhaal over het leven van Joost en Marjanneke, eenvoudige arbeiders, die met hun kinderen in 1884 verhuisden van het platteland naar de grote stad Dordrecht.

Het boek is genomineerd voor publieksprijs The Indie Awards 2019! Het staat nu op de shortlist, 18 april is de prijsuitreiking!