Uitgelicht

Er was eens … (130 jaar geleden)

We noemen haar Elisabeth, Betje de Kleijn

27 oktober 1887 wordt in Dordrecht een meisje geboren, Elisabeth, dochter van Marjanneke en Joost de Kleijn-Klaassen. Zusje van Kee, Tinus en Dorus. Kind van een Oost-Brabants gezin dat in 1884 vanuit Schaijk naar Dordrecht verhuist. Op dat moment, eind 19e eeuw, is in Nederland de Industriële Revolutie op volle gang. Veel mensen vertrekken van het platteland naar de grote steden, om de armoede te ontvluchten, op zoek naar werk. Zo ook zij.

Wat is er nu zo bijzonder aan hen hoor ik jullie vragen. Nou, het zijn mijn overgrootouders. En dat meisje is mijn oma, roepnaam Betje.

Mooie stad Dordrecht

Altijd als de stad Dordrecht vernoemd wordt moet ik aan hen denken. Ik reageer ook altijd heel enthousiast met: ‘Mooie stad hè. Weet je dat mijn oma daar is geboren? Ze heeft er samen met haar ouders in horecabedrijven gewoond en gewerkt, eigenlijk net zoals ik dat nu doe. En, en …’ Tja, dan val ik stil, want meer weet ik niet.

Het zal een jaar geleden zijn dat ik met vriendinnen in een restaurant in Venlo zit. Eén van hen heeft Dordrecht bezocht. En ja, meteen herhaal ik weer datzelfde riedeltje. Op de terugweg naar huis bedenk ik dat dit maar eens moet ophouden, dat ik hier meer over wil weten. Het zijn verdikkeme mijn voorouders, het is mijn eigen geschiedenis. Achter het stuur van de auto besluit ik dan ook dat ik op onderzoek ga en ook dat ik er een boek over ga schrijven. Het is nu een jaar na het uitbrengen van mijn eerste boek en het kriebelt: ik wil weer schrijven, maar niet over rouw. Over mijn overgrootouders, mooi!

Op naar mijn moeder

Mijn moeder, net 91 jaar geworden, is mijn eerste aanspreekpunt. Wat kan zij mij nog vertellen over het leven van haar moeder, oma, opa, tante en ooms in Dordrecht? Ik weet dat zij 35 jaar geleden hier ook eens onderzoek in diverse archieven naar heeft gedaan. Dat relaas staat in één van haar drie boeken over de geschiedenis van onze families. In die tijd vond ik dat niet zo interessant. Maar ja, je wordt ouder en tijden veranderen …

Met pen en papier zit ik bij haar op de bank in de aanslag, laat maar horen mam. Haar boeken hebben we al doorgenomen, maar er staat over die 15 jaar in Dordrecht niet veel in. Ik hoop nu op overleveringsverhalen maar ook dat resultaat valt jammer genoeg tegen. Mijn oma, haar moeder, was erg jong, pas elf jaar, toen ze Dordrecht verliet, haar herinneringen die ze al heeft doorverteld zijn erg summier. Ach, in die tijd liet men het verleden vaak rusten, men keek vooruit. En oma had het erg druk met het runnen van haar grote gezin na het vroege overlijden opa. En buiten dat, ze was ook niet zo’n prater. Mijn moeder is het tiende kind in de lange rij van dertien. Haar oudste zus Marie, nummer één, had hier zeker meer over kunnen vertellen. ‘Maar’ zegt mam dan; ‘daarvoor moeten we naar de hemel’.

Archief in, archief uit

Mijn overgrootouders zijn dus eind 19e eeuw naar Dordrecht vertrokken. ‘Waarom precies, wie waren ze, en hoe verdienden ze daar de kost?’ Steeds meer vragen borrelen in me op. Antwoorden wil ik, en om die te vinden ga ik de hort op. Zo kom ik terecht bij het Regionaal Archief van Dordrecht. Zoeken naar mijn Dordtse roots: op zoek naar Joost de Kleijn en Marjanneke Klaassen, op zoek naar het leven van mijn overgrootouders in, voor toen zeker, het verre Dordrecht.

In die tijd ging je niet zomaar van A naar B. Er waren nog geen auto’s, er reed een enkele trein. Trekschuiten, stoomboten en paard met wagen waren toen de gangbare vervoersmogelijkheden. En je kon natuurlijk ook te voet gaan. De afstanden werden in die tijd ook aangegeven met: zoveel uur gaans. Ofwel, zoveel uur te lopen. Bij mij rijst dan direct de vraag op: hoe hebben zij die honderd kilometer overbrugd?

Hotel – Café – Koken – Recepten

Al zoekend in de archieven kom ik boterhandelaar Albers uit Grave tegen die in 1883 zijn boter/margarinefabriek verplaatst naar Dordrecht. Joost krijgt daar werk, al één jaar eerder voor ze definitief verhuizen. Van daaruit probeert hij de grote overtocht te regelen, een woning te vinden en een school voor zijn kinderen. Het blijkt dat het gezin de Kleijn op diverse adressen in Dordt heeft gewoond. Als eerste kom ik de Sluisweg tegen, en vervolgens het Geldelooze Pad, de Wijnstraat (Het Burgerhotel), de Cornelis de Wittstraat (Café de Ruwaard van Putten) en als laatste de Nieuwstraat. Hoe meer ik door mijn onderzoek te weten kom, hoe meer respect ik voor ze krijg. Een heel nieuw leven opbouwen in een voor hen onbekende stad, zoveel onzekerheid. Ze hadden wel lef! Ik krijg ook gaandeweg steeds meer een band met Marjanneke, mijn overgrootmoeder. Al is het alleen al door alle lekkere recepten!

Het boek komt eraan!

Zo heb ik bijna hun hele tijdlijn kunnen ontrafelen, al hun voetstappen. (En ik denken dat zoiets alleen maar bij beroemde mensen kan.) Ik ga de 15 jaar die mijn overgrootouders en hun kinderen in Dordrecht doorbrachten, met woorden weer tot leven te brengen. Daarvoor ga ik nu hard aan het werk, samen met een schrijfcoach die me ondersteunt en me achter mijn vodden aan gaat zitten. Mijn streven is om volgend jaar april-juni het boek te presenteren. Maar ik moet nog veel research doen. De werktitel voor nu is: ‘Marjanneke, een stoer wijf’ , maar die kan nog wel tig keer veranderen…

Via mijn website (www.hetweckparadijs.nl/blog) en facebookpagina’s (Anneliese Vonk / Het Weckparadijs – De Bourgondische Hoeve / Marjanneke, een stoer wijf) kan je zien hoe het boek zich ontwikkelt.

Gisteren, 27 oktober 2017, was de 130e geboortedag van mijn oma, een goede reden om even bij stil te staan.

Sneeuw

Gisteren keek ik op mijn laptop en zag de volgende weersverwachting: ‘Zon en enkele buien, lokaal hagel’. Met geen woord repten ze over ‘sneeuw’, wel hagel.
Maar of dat ook telt voor de ‘Internationale dag van de Sneeuw’?

Denkend aan sneeuw zie ik vooral beelden van een wit landschap in Siebengewald van de laatste 20 jaar voorbijkomen. Daar lag voor mijn gevoel elk jaar wel sneeuw. En denk ik aan een dik pak sneeuw, en dan bedoel ik ook echt een héél dik pak sneeuw, gaan mijn herinneringen verder terug, naar Oostenrijk, naar Pertisau. Want dat was héél speciaal. Waarom? Wil je weten wat daar gebeurde? Lees dan hieronder mijn verhaal/blog!

Stel: je bent hartstikke verliefd en jouw vriendje vraagt of je mee wil op skivakantie. En dat terwijl je dat eigenlijk verafschuwt. Dan zeg je gewoon volmondig ja. Want op dat moment maakt het niet uit waar je samen naar toe gaat, áls je maar samen weggaat.
Zo gebeurde dat ook bij mij. Onze eerste vakantie, van Theo en mij, naar Oostenrijk.
Het grappige aan dit verhaal is dat híj dacht mij hiermee een plezier te doen. In werkelijkheid was hij er ook totaal geen liefhebber van. Veel te bang iets te breken waardoor hij dan de baas met grote problemen zou opzadelen.
Nou, dat was een goede start van ons leven samen haha. Maar vanaf dat moment wisten we wel dat ‘duidelijk zijn naar elkaar toe’, om nog meer misverstanden te voorkomen, erg belangrijk was. En niet alleen maar willen pleasen.

Uiteindelijk hebben we toch een schitterende vakantie gehad met onvergetelijke hilarische momenten. We hebben niet geskied. Nee, wij gingen wandelen, lekker klossen in de sneeuw, dorpjes verkennen. En we gingen de berg op om daar boven te genieten van het uitzicht. Dat Theo last had van hoogtevrees wist ik, een beetje dacht ik. Maar de open stoeltjeslift bleek voor hem té heftig. Zo stoer als hij was toen we naar boven gingen, zo stellig was hij over de terugtocht. Met diezelfde lift naar beneden durfde hij niet meer. Dus dat werd lopen, met de wind in de rug daalden we de berg af. Via een pad dat ons door de uitbaters van het restaurant boven was aangegeven.

Het was een lange wandeling die uren duurde, met smalle en gladde plekken. Ondanks dat het een hachelijke onderneming was, hielden we de moed erin. We probeerden zoals altijd overal maar een grapje van te maken. Ook van de kleine boompjes langs het pad. Althans, we gingen ervan uit dat het jonge aanwas was.
We werden stiller en stiller en helemaal verkleumd kwamen we in de vallende duisternis aan in het hotel. Daar hoorden we dat dat pad tijdens de winter afgesloten was, verboden om daar te lopen, oeps.
En die boompjes? Dat bleken de toppen van minstens 30 meter hoge dennenbomen te zijn. We beseften ineens dat één stap naar links voor ons die middag fataal had kunnen zijn.

Maar ach, ’s avonds aan de bar met een heerlijk glas wijn, weer helemaal opgewarmd, hadden we weer volop praatjes. En communiceerden we en leerden we elkaar steeds beter kennen. Het was een vakantie waar we nog vaak aan terugdachten, eentje van veertig jaar geleden…

Australië brandt

Na het afronden van mijn boek over Marjanneke in Dordrecht, wijd ik me nu aan Tonny in Australië.

Begin december zat ik daarom, met mijn dictafoon in de aanslag, bij Tonny om te praten over haar emigratie, in 1956. Uiteraard kwamen de flinke branden, die anno nu in Australië woeden, ter sprake. Haar herinneringen gingen daardoor automatisch terug naar de hittegolf van toen, naar de Australische zomer van eind 1958 begin 1959. Ze trok me helemaal mee…

Ze was in het lokale ziekenhuis net bevallen van haar dochter. Eenmaal thuis kwamen de verpleegsters, uit dat ziekenhuis uit voorzorg, vanwege de extreme hitte elke dag een paar keer langs om te checken of alles goed ging met de kleine. En dat bleek geen overbodige luxe! (hierover later meer)
Ook reden er toen de hele dag wagens rond die bij alle huizen ijsstaven afleverden. De koelkasten konden het door de hoge temperaturen niet bolwerken.

Tonny zag, proefde en voelde bij wijze van spreken die middag dat we bij elkaar zaten wéér die zinderende hitte. Daarbovenop vertelde ze was het bij hen nooit windstil. 24 uur per dag, zeven dagen in de week, maand in maand uit, het waaide daar altijd. Vanuit het dorre binnenland richting het zuiden, richting hun woonplaats Foster en richting de oceaan.
De wind was verschroeiend heet.

Hittegolven zijn in Australië echter geen uitzondering, maar die van nu overtreft alles, deze heeft Australië in de houdgreep. Branden die alsmaar doorwoekeren, door de droogte, door de harde wind. Sommige van die branden blijken te zijn veroorzaakt door roekeloos gedrag zoals een brandende peuk weggooien of slordig omgaan met een kampvuurtje terwijl alles kurk- en kurkdroog is…
Met als trieste resultaat dat deze branden 26 levens hebben gekost. Duizenden huizen zijn vernietigd en miljoenen hectaren bos liggen in de as. En dan durf ik bijna niet te denken aan de dieren die intussen zijn omgekomen. Naar schatting al een half miljard!
Iedereen voelt zich zo machteloos…

En dan hoor ik op het nieuws dat er 207 brandstichters zijn opgepakt. Niet te geloven! Mensen die dus bewust iets in de fik hebben gezet! Waarom?
Hen staan zeker zware straffen te wachten, dat kan niet anders. Maar de omgekomen mensen en de vele koala’s, vogels, reptielen en kangoeroes krijgen we er helaas niet meer mee terug…

6 januari 2020

Deze dag staat voor mij, als katholiek meisje, natuurlijk voor ‘De Driekoningen’ ofwel Melchior, Balthasar en …. Caspar’.

6 januari, het is de dag dat wij als kind, met een deken over onze schouders, de huizen in onze straat afgingen. Volgens mij met mijn jongste broer en zijn vriendje. Dan belden wij overal aan en zongen ons lied.

Driekoningen, Driekoningen,
geef mij‘ne nieuwen hoed.
M’nen ouwe is verslete,
‘smoeder mag ‘t niet wete,
‘svaoder hèt gèn geld,
Geef me asjeblieft unne cent.

Bij de een kregen we een paar stuivers, bij de ander een mandarijntje.
Het was vaak de laatste dag van de Kerstvakantie. Rillend van de kou kropen we dan na onze toer bij óf het fornuis in de keuken óf bij de kachel in de woonkamer.

Die herinnering van toen vertelt me ook dat mam van deze dag altijd iets feestelijks maakte. Pas jaren later begreep ik waarom.
6 januari was namelijk ook de dag dat haar vader is geboren. Helaas is hij veel te jong, toen mam pas 8 jaar oud was, overleden. Oma bleef achter met de zorg voor 12 kinderen.

Zoals jullie weten schreef mam vele verhalen en gedichten.
Vanwege deze speciale datum, 6 januari, ben ik even haar boeken ingedoken. Wat me blij én verdrietig maakt.
Daar stuit ik op een gedicht dat zij in het jaar 2000 schreef, dus op de kop af twintig jaar geleden. Twee strofes (in een lied zou je dit coupletten noemen) die over haar vader Kaspar gaan, heb ik uit het gedicht ‘Januari’ geplukt.

Tweeduizend jaar geleden werd voor ons opgeschreven,
de geboorte van Jezus, de ster, over de herders en de Driekoningen.
De bijbel, zo heet dat boek, ligt in hotels en in vele woningen.
Eeuwen later werd de naam ‘Kaspar’ met sierlijke letters
in een Schaijks geboorteregister geschreven.
Toen is de geboorte van mijn vader aangegeven.

Zijn naam Hendrik-Kaspar, zijn kribbe stond in de Lagehei.
Zijn ouders hadden geen zilver, mirre of goud,
geboren 6 januari 1877, hij werd slechts 57 jaren oud.
Zijn naam wordt ieder jaar weer op de kalender geschreven,
de naam Kaspar zullen wij en onze kinderen nooit vergeten,
een Driekoningen-naam is heel bijzonder moet je weten.

Naast dit alles was 6 januari ook altijd het moment dat we de kerststal ontmantelden en naar zolder brachten. De papieren kerstklokken, rood en wit, vouwden we voorzichtig op. Die verdwenen, met de andere kerstversieringen, in een grote doos. Zoals de kerstballen, sneeuwvogeltjes, piek en engelenhaar die we voorzichtig uit de kerstboom plukten. Met als stille getuige op de vloer, van een mooie Kerst die veel te snel voorbij ging, een grote berg dennennaalden…

Adieu 2019 – Gegroet 2020

Er is weer een jaar voorbij, een goed moment om even terug te kijken op 2019.
Zo startte het afgelopen jaar voor mij in een vakantiehuisje in Plasmolen, mét een pak sneeuw. Met vuurwerk en champagne luid ik samen met de medebewoners op het park het nieuwe jaar in. Precies één maand ervoor heb ik ons restaurant verkocht en overgedragen aan Jurjen en Alexander.

1 februari zit ik wederom bij de notaris, maar nu krijg ik de sleutel van mijn ‘nieuwe’ huis. Het huis dat mij, toen ik er oktober 2018 binnenliep voor een bezichtiging, toefluisterde “Welkom thuis”. Vanuit Limburg verhuis ik naar Gelderland, Beuningen, het land van Maas & Waal.

De eerste maanden staan in het teken van inrichten, rommelen, kennismaken, ontdekken, tot rust komen en vooral van het niet meer ‘moeten’ maar ‘mogen’… Het wennen gaat snel. Alleen het ‘missen van’ laait soms op. De gasten, het vrije uitzicht op het platteland, de zonsondergangen, mijn oude buurtjes, mijn vrienden daar. Dan stap ik gewoon de auto in en tank ik daar even bij.

In april besluit ik dat het hét jaar van mijn boek moet worden. Ik geef mezelf de figuurlijke schop onder mijn kont en stel samen met mijn schrijfcoach, Jolanda Pikkaart, een strak schema op. Met als einddoel half november boekpresentatie ‘Marjanneke, stoer wijf’. Om dat te bereiken, schrijf ik gedurende de zomer gestaag door tot het aller- allerlaatste hoofdstuk klaar is.

Begin 2019 gaat het niet zo denderend met mam. Met ons gezin proberen we het leven voor haar een beetje op te fleuren. Op dat moment wordt er in de kranten veel aandacht besteed aan ’75 jaar Market Garden’. Nu is het zo dat, toen de colonnes legervoertuigen september 1944, via de Corridorweg, Reek binnenkwamen, mijn moeder daarbij aanwezig was. Zij heeft daar later een boek over geschreven.
“Wat”, vraag ik aan mam, “wat als we samen gaan schrijven. Over de oorlog, over de maanden vóór Market Garden?” Dat resulteerde in verhalen en (oudere) gedichten die we elke maand op een eigen Facebookpagina plaatsten. ‘Samen met Betsy naar 75 jaar Market Garden’. Ondanks dat ze Facebook in het begin heel erg wantrouwde, was ze wel nieuwsgierig naar wie er allemaal gereageerd hadden. Zo werd de pagina door Omroep Brabant opgepikt en voegden ze mam toe aan hun site ‘Goei Volk’!

Ons laatste verhaal en gedicht over augustus 1944 is nooit meer geplaatst.
Maandag 26 augustus 2019, bijna 93 jaar oud, verlaat mam het aardse leven. Naast dankbaarheid dat we haar zo lang bij ons mochten hebben, doet het afscheid toch nog steeds heel erg zeer.

Kort na mams overlijden staat een training ‘begeleiden bij verlies en rouw’ in Zwolle gepland die al een half jaar daarvoor is vastgelegd. Toeval? Timing? Het voelt heel dubbel, dat weet ik wel. Maar als ‘ervaringsdeskundige’ (zoals dat heet) geeft het mij echter nóg meer handvatten.

De maanden september, oktober en november staan bol van de afspraken met mensen die iets met het boek ‘Marjanneke, stoer wijf’ van doen hebben. Zoals de schrijfcoach, proeflezers, vormgever, boekopmaker, redacteur, drukker… Als eigen uitgever, waar ik bewust voor heb gekozen, moet ik flink aan de bak. Boekpresentaties, persberichten, media in de breedste zin van het woord benaderen, facebook en website updaten, et cetera, et cetera.
Ik beland letterlijk in een rollercoaster!

Maar 13 november is het zover, mijn eerste boekpresentatie. Een ongelofelijk moment, heel feestelijk, op een voor mij én ‘Marjanneke’ emotionele locatie. Op het gemis van enkele zéér belangrijke mensen in mijn leven na, klopt alles.
Een paar dagen later word ik overvallen door een ouderwetse griep waardoor ik jammer genoeg de Kerstfair in Drunen misloop…

Eenmaal weer opgekalefaterd pak ik de promotie van het boek weer op. Het is mooi om te zien hoe het boek ‘Marjanneke, stoer wijf’ het land door gaat!
En dan komt het spannende moment dat lezers hun reactie gaan geven. Pfff, ik durf dan bijna niet de mail te openen. Maar mensen, wat een leuke emotionele hartelijke reacties! Het verhaal van Marjanneke, mijn overgrootmoeder, maakt heel wat los. Over het leven van toen, eind 19e eeuw. Super om te lezen.
Ook de recensie van boekrecensent Hanneke Tinor-Centi klinkt als een klok.
http://hanneketinorcenti.nl/marjanneke-stoer-wijf/

Als klap op de vuurpijl krijg ik begin december te horen dat mijn boek een nominatie heeft gekregen van ‘The Indie Awards’ en op hun longlist sta! Een award dat speciaal in het leven is geroepen voor indie-auteurs, ofwel schrijvers die niet zijn aangesloten bij een uitgeverij. Er is een juryprijs én een publieksprijs. (wordt vervolgd!)

In de laatste maand van het jaar probeer ik altijd stil te staan bij het nieuwe jaar. Zo van ‘wat ga ik volgend jaar eens doen?’. Dit jaar is daar geen uitzondering op.
Daarvoor pak ik een groot wit vel en teken in het midden een poppetje dat mij moet voorstellen. Er omheen zet ik met een zwarte stift neer wat ik graag wil gaan doen.
‘Schrijven’ noteer ik als eerste. Samen met schrijfvrienden waarmee ik wekelijks spar. Maar vooral schrijven, in mijn eentje, aan mijn nieuwe boek waar ik nu volop research voor doe.
‘Luister- en Eettafel’ schrijf ik daaronder. In 2020 ga ik mijn ideeën daarvoor omzetten in een echt plan. Ik ben er klaar voor, het huis ook. (Hierover later meer!)
‘Klussen in huis’ is denk ik wel herkenbaar. Sinds de verhuizing begint alles in huis een eigen plekje te krijgen en dan merk ik dat ik bijvoorbeeld te weinig stopcontacten hebt, of dat een lamp net verkeerd hangt.
‘Streekwinkeltje’ wil ik meer vormgeven. Het op markten staan met mijn lekkernijen en boeken blijft mij trekken. En vooral ook lekkere jams maken. In augustus wil ik dan ook mijn tweede prijs, afgelopen jaar behaald op de Nationale Jammarkt in Neede, verdedigen!
‘Verkennen’ wil ik ook graag. Dicht bij huis, Beuningen – Nijmegen – het Maas & Waal-gebied. Maar misschien ook ver weg, familie in buitenland opzoeken…
‘Fietsen, zwemmen én wandelen’. Kortom meer bewegen. Proberen om net als dit jaar enkele overtollige kilootjes kwijt te raken.
Of ik alles op mijn lijstje in 2020 kan afvinken? En waar dit alles mij zal brengen? Dat is een grote vraag, maar ik ga graag op zoek naar het antwoord.
Misschien wel samen met jullie…
Ik wens jullie alle goeds voor 2020. Vooral een goede gezondheid, zó belangrijk. Verder geduld, respect, vriendelijkheid, verdraagzaamheid en liefde. Maar ook uitspattingen, er even tussenuit, genieten van het leven, op ontdekking gaan. Je bent tenslotte nooit te oud om te leren…
Kortom, ik wens jullie alle goeds voor 2020!

Lieve groet, Anneliese

Marjanneke, stoer wijf — by Hanneke Tinor-Centi

Marjanneke, stoer wijf speelt zich af in Dordrecht aan het eind van de 19e eeuw. Het is 1884 wanneer de Industriële Revolutie Nederland bereikt en een groot aantal plattelandarbeiders naar de grote steden trekt om daar hun geluk te beproeven. Onder hen bevinden zich Joost en Marjanneke de Kleijn en hun drie kinderen. Joost werkt…

via Marjanneke, stoer wijf — by Hanneke Tinor-Centi

18 dec. – Internationale Migrantendag

Bij migranten denk je natuurlijk aan mensen die vanuit het buitenland naar ons toe verhuizen.
Maar ik dacht eerlijk gezegd meteen aan mijn overgrootouders Joost en Marjanneke de Kleijn. Zij waren arbeidsmigranten die in 1884 vanuit Schaijk naar Dordrecht verhuisden. Voor toen een hele grote stap!

Tijdens mijn research naar het hoe en waarom ze naar Holland gingen, kreeg ik steeds een grotere inkijk in hun leven daar in Dordrecht. Het archief gaf mij over de leefwijze in die jaren veel prijs en ik nam dat gretig tot mij.

Een ding werd mij wel duidelijk, het leven daar was hard, keihard. Als nieuwkomers in de grote stad moesten zij zich daar staande weten te houden. De eerste barrière was hun Schaijks dialect. Om zich goed verstaanbaar te maken was het belangrijk om Algemeen Beschaafd Nederlands te leren en te spreken. Wetend dat ze anders geen toekomst zouden hebben.

Dat ze met hun kinderen terecht zouden komen in arbeiderswoningen waarin vele gezinnen huisden, bestaande uit soms wel acht tot tien personen? En dat elk gezin één kamer van slechts 20 vierkante meter groot tot hun beschikking kreeg? Nee, zo had Marjanneke haar toekomst daar niet voorgesteld. Het was dan ook een hele grote overgang.

Maar mijn overgrootouders hielden zich staande en maakten wat van hun leven daar in Dordrecht. Dat heb ik allemaal verwoord in een historische roman.

Gedurende mijn zoektocht naar hun voetsporen kreeg ik volop respect voor hen. Mijn sympathie trok vooral richting Marjanneke, de moeder die thuis alles draaiende moest zien te houden. Wat een stoer mens was dat.
Toen dat tot me doordrong wist ik ineens de titel van het boek.
‘Marjanneke, stoer wijf’.

Herinneringen aan mams bureautje, september jl.

Het huis raakt leeg. Het ene meubelstuk na het andere vindt een ander thuis. Raar om te zien hoe door het ontmantelen van een woning de ziel langzaam verdwijnt.

En daar zitten we dan, op de laatste vier stoelen die zo met ons meegaan. We kijken rond en weten ‘het is goed zo’.
‘En neem jij dan zo het bureautje mee?’ vraagt mijn oudste broer aan mijn zus. Ze knikt.
We kijken er allen naar. Ieder met zijn eigen herinneringen. Het ziet er nu iel uit, zo alleen. Enkel het glazen engeltje staat er nog bovenop. Alsof die over ons waakt.

Het is tijd om te vertrekken.
Ik loop naar mams bureautje. Met zijn vele laatjes. Ik heb er geen plaats voor anders was ie mee gegaan naar Beuningen. Nu blijft ie in Schaijk, twee straten verderop, op de oude vertrouwde grond. En dat is fijn.
Ik doe weer even de klep open en zie in gedachten alle foto’s die er tot vier weken geleden allemaal nog stonden. Toen er nog niks aan de hand was.
Die foto’s waren mijn moeder heel dierbaar. Zoveel herinneringen met zoveel verhalen. Want ja, dat was mam, van de verhalen.

Ooit is het bureautje voor haar gekocht om er aan te schrijven. Het kreeg een plek in de achterkamer. Met trots zat ze daar achter haar typemachine, een Brother. Vele typelinten, pakken papier en flesjes type-ex heeft ze daar versleten. Totdat mam niet meer de trap op kon en de achterkamer haar slaapkamer werd. Waarop het bureautje naar de woonkamer verhuisde. Echter zonder de typemachine. Schrijven deed ze vanaf toen alleen nog maar met de pen, zittend aan tafel of op de bank.

De familie om haar heen dunde uit en langzaamaan raakte het werkblad, daar waar eerst de typemachine stond, vol met foto’s. En tierlantijntjes. Niks daarvan mocht van mam weg, want alles had een herinnering.

Zoals het glazen engeltje, wat we samen op een kerstshow in Venlo kochten. Dat er nu nog heel alleen staat. Terwijl ik het wil pakken, tik ik het per ongeluk aan. Ik schrik en wil het nog snel grijpen, maar ik ben te laat. Het valt op de grond. In wel duizend glazen pareltjes.
Duizend glinsteringen die staan voor de duizend herinneringen aan mam en haar bureautje.