Uitgelicht

Er was eens … (130 jaar geleden)

We noemen haar Elisabeth, Betje de Kleijn

27 oktober 1887 wordt in Dordrecht een meisje geboren, Elisabeth, dochter van Marjanneke en Joost de Kleijn-Klaassen. Zusje van Kee, Tinus en Dorus. Kind van een Oost-Brabants, Schaijk, gezin dat in 1884 naar Dordrecht verhuist. Op dat moment, tweede helft 19e eeuw, is in Nederland de Industriële Revolutie in volle gang. Veel mensen van het platteland vertrekken, om de armoede te ontvluchten, naar de grote steden, op zoek naar werk. Zo ook dit gezin.

Wat vind ik nu zo bijzonder aan hen zal je je afvragen. Nou, het zijn mijn overgrootouders, en dat meisje is mijn oma, haar roepnaam Betje.

Mooie stad Dordrecht

Altijd als de stad Dordrecht vernoemd wordt moet ik aan hen denken. Ik reageer ook altijd heel enthousiast met: ‘Mooie stad hè. Weet je dat mijn oma daar is geboren? Ze heeft er samen met haar ouders in horecabedrijven gewoond en gewerkt, eigenlijk net zoals ik dat nu doe. En, en …’ Tja, dan val ik stil, want meer weet ik niet.

Het zal een jaar geleden zijn dat ik met vriendinnen in een restaurant in Venlo zit. Eén van hen heeft Dordrecht bezocht. En ja, stante pede herhaal ik weer hetzelfde riedeltje. Op de terugweg naar huis bedenk ik me dat dit eens moet ophouden. Ik hier meer over wil weten. Het zijn verdikkeme mijn voorouders, het is mijn eigen geschiedenis. Achter het stuur van de auto besluit ik op onderzoek ga en dat ik er wellicht een boek over ga schrijven. Het is een jaar na het uitbrengen van mijn eerste boek en het begint te kriebelen: ik wil weer schrijven, alleen nu niet over rouw.

Op naar mijn moeder

Mijn moeder, net 91 jaar geworden, is mijn eerste aanspreekpunt. Wat kan zij mij vertellen over het leven van haar moeder, oma, opa, tante en ooms in Dordrecht? 35 jaar geleden heeft zij hier ook eens onderzoek naar gedaan in diverse archieven. Dat resulteerde in drie boeken over de geschiedenis van onze families. In die tijd vond ik dat niet zo interessant. Maar ja, je wordt ouder en tijden veranderen …

Met pen en papier in de aanslag zit ik bij haar op de bank. Haar boeken hebben we al doorgenomen maar over die 15 jaar in Dordrecht heeft ze niet veel geschreven. Ik hoop nu op overleveringsverhalen. Het resultaat valt jammer genoeg tegen. Mijn oma was erg jong, pas elf jaar, toen ze Dordrecht verlieten, de herinneringen die ze doorverteld heeft zijn summier. In die tijd liet men het verleden ook rusten. Later had ze het erg druk met het runnen van haar grote gezin, vooral na het vroege overlijden van opa, en ze was ook niet zo’n prater. Mijn moeder is het tiende kind in de lange rij van dertien. Haar oudste zus Marie had hier zeker meer over kunnen vertellen. ‘Maar’ zegt mam dan; ‘daarvoor moeten we naar de hemel’.

Archief in, archief uit

De ouders van oma, ofwel de grootouders van mijn moeder, zijn dus eind 19e eeuw naar Dordrecht vertrokken. ‘Waarom, wie waren ze, wat deden ze daar precies?’ Steeds meer vragen borrelen in me op. Antwoorden wil ik, en om die te vinden ga ik de hort op en kom zo terecht bij het Regionaal Archief van Dordrecht. Zoeken naar mijn Dordtse roots: op zoek naar Joost de Kleijn en Marjanneke Klaassen, op zoek naar het leven van mijn overgrootouders in, voor toen zeker, het verre Dordrecht. In die tijd ging je niet zomaar van A naar B. Er waren nog geen auto’s, er reed een enkele trein. Trekschuiten, stoomboten en paard met wagen waren toen de gangbare vervoersmogelijkheden. En je kon ook te voet gaan. De afstanden werden in die tijd ook aangegeven met: zoveel uur gaans. Ofwel, zoveel uur te lopen. Bij mij rijst dan direct de vraag op: hoe hebben zij die honderd kilometer overbrugd?

Hotel – Café – Koken – Recepten

Al zoekend in de archieven kom ik boterhandelaar Albers uit Grave tegen die in 1883 zijn boter/margarinefabriek verplaatst naar Dordrecht. Joost krijgt daar werk, al eerder voor ze definitief verhuizen. Van daaruit probeert hij de grote overtocht te regelen, een woning te vinden en een school voor de kinderen. Het gezin de Kleijn woont op diverse adressen in Dordt. Als eerste kom ik de Sluisweg tegen, en vervolgens de Geldelooze Pad, de Wijnstraat (Het Burgerhotel), de Cornelis de Wittstraat (Café de Ruwaard van Putten) en als laatste de Nieuwstraat. Hoe meer ik door mijn onderzoek te weten kom, hoe meer respect ik voor ze krijg. Een heel nieuw leven opbouwen in een voor hen onbekende stad, zoveel onzekerheid. Ze hadden wel lef! Ik krijg ook gaandeweg steeds meer een band met Marjanneke, mijn overgrootmoeder. Al is het alleen al door alle lekkere recepten!

Het boek komt eraan!

Zo heb ik bijna hun hele tijdlijn kunnen ontrafelen. En ik altijd denken dat zoiets alleen maar bij beroemde mensen kan. Ik ga proberen de 15 jaar die mijn overgrootouders en hun kinderen in Dordrecht doorbrachten, met woorden weer tot leven te brengen. Daarvoor ga ik nu hard aan het werk, samen met een vriendin die mijn teksten gaat redigeren en samen met een schrijfcoach die me ondersteund en achter mijn vodden gaat zitten. Mijn streven is om volgend jaar april-juni het boek te presenteren. De werktitel voor nu is: ‘Marjanneke, een stoer wijf’ , maar die kan nog wel tig keer veranderen…

Via mijn website (www.debourgondischehoeve.nl/blog) en facebookpagina’s (De Bourgondische Hoeve / Anneliese Vonk / Marjanneke, een stoer wijf) kan je zien hoe het boek zich ontwikkelt.

Gisteren, 27 oktober 2017, was dus de 130e geboortedag van mijn oma, een reden om hier even bij stil te staan.

Gewoon een praatje

Zomaar een ontmoeting
Zoals elk jaar sta ik op de Aspergemarkt in Grubbenvorst. Mooi weer, we treffen het, standhouders én bezoekers.
Door met de mensen in gesprek te gaan die bij mijn kraam halt houden merk ik dat er dit jaar meer vakantiegangers rondlopen dan anders.
Een mevrouw, net zo groot als ik, een kleine opdonder dus, blijft stilstaan bij en ziet mijn boek. We raken aan de praat en ik vraag haar waar ze vandaan komt, haar accent vertelt mij richting Rotterdam.
“Alblasserdam”, zegt ze.
“Oh, dat is dicht bij Dordrecht.”
Waarop ze enthousiast uitroept: “Daar ben ik geboren!”

Marjanneke in Dordrecht
Jullie snappen het al, ik vertel haar direct over overgrootmoeder Marjanneke. Ze wil weten waar ze dan gewoond heeft. Ze herkent alle straten en locaties, zo leuk.
“En wanneer komt het uit?”
“In december, hopelijk wil de burgemeester het eerste boek van mij aannemen.”
“Dat doet ie wel”, zegt ze, “het is een vrij toegankelijke man.”
“Dat klopt, maar ik heb net gezien dat hij in december vader wordt, hopelijk is de kleine niet van plan om juist dan tevoorschijn te komen.”
Lachend vraagt ze me waarom ik dit boek schrijf en ik hang mijn welbekende riedeltje op over dat mijn oma in Dordrecht is geboren maar dat ik eigenlijk verder niks daarover wist en dat ik dat wilde uitzoeken.

Rouw is Rauw
Intussen loop ik een paar passen terug richting mijn eerste boek. Want na het uitbrengen van dit boek smaakte het schrijven voor mij naar meer.
De titel raakt haar.
“Mag ik het inkijkboek even meenemen om het op dat bankje even rustig door te nemen?”

Geraakt
Ik zie haar tussen de bedrijven door het boek doornemen, sportief gekleed, met wandelschoenen en rugzakje, zittend in het zonnetje.
Aan haar steeds verder gebogen hoofd merk ik dat het boek haar raakt. Het liefst zou ik meteen een arm om haar heen willen slaan.
Als ze na een hele poos terug komt doe ik dat alsnog en laat zij haar tranen de vrije loop.
Samen praten we over hoe lang het geleden is dat we onze partners zijn verloren. Daarna luister ik naar haar verhaal. Ik hoef het mijne verder niet te vertellen, dat leest ze later wel. Nu staat zij hier voor mij, kan ze weer even alles vertellen, zo maar aan een vreemde, dat zijn vaak de mooiste momenten.

Vierdaagse Nijmegen
Ze vertelt dat zij en haar man altijd samen de Vierdaagse van Nijmegen liepen. En dat nu dus sinds twee jaar niet meer. Maar dat ze nu wel op de rustplekken de wandelaars van hun wandelclub helpt. Ik vertel dat ik nu in Beuningen woon en dat de Vierdaagse achter mijn huis voorbij komt. Als we door praten komen we erachter dat ze de woensdag van de Vierdaagse maar een paar honderd meter van mijn nieuwe huis verwijdert staat. Ze belooft me te mailen want we hebben gelijk afgesproken om elkaar daar dan weer te zien. Mijn boek verdwijnt in haar tas.

Blijf zijn naam noemen, het liefst elke dag…
Met een knuffel en een ‘hou je taai’ nemen we afscheid.
Hoe ze heet? Ik zou het niet weten. Maar haar man heet Fred en die dag hoorde hij er helemaal bij want die dag hebben wij zijn naam heel vaak uitgesproken…

‘Goei volk, Goei volk!’

In mijn jeugd kwamen bij ons thuis om de zoveel weken,
mensen van allerlei pluimage, op onze misse gereden.
De voddenmannen en de marskramers kwamen elkaar soms tegen,
voor mij een bont en spannend bezoek om nooit te vergeten.

Een voddenman had een kar, getrokken door een witachtige hit,
ik hoor d’n hit nog rammelen met zijn groot ijzeren (ge)bit.
Hij werd onrustig door de herrie bij ons, van al die kinderen,
maar dat mocht of kon later de ruilhandel niet hinderen.

De vrouwen gingen altijd mee, ze hadden allemaal stoere mannen,
opzij van de kar hing van alles, zoals potten en pannen.
Op de vodden zat een stel kinderen met ondeugende snoetjes,
als de zon scheen droegen ze gerafelde strooien hoedjes.

Tussen de vodden zaten verscholen, kopjes, borden en bestek,
als het regende ging over de vodden en d’n hit een dek.
Bij de ruilhandel vertelden de vrouwen de zieligste verhalen,
zodat ons moeder bij elk kopje of bord iets bij moest betalen.

Een voddenman en paardje zagen wij op een dag, de laatste keer,
op zijn kar stond een mandje fruit, en een van ons nam een peer.
De jongen van geen kwaad bewust, het paardje goed afgericht,
greep het manneke beet, hij werd wild van de grond gelicht.

De marskramers met hun begoziekistjes hadden durf en lef,
waren niet bang voor honden, kenden ze allemaal aan hun gekef.
Ze liepen zomaar binnen en riepen dan… ‘goeivolk, goeivolk’,
ons moeder kwam dan gauw tevoorschijn in durre hoege scholk.

‘Kijk us moederkelief’, zei hij dan, en dat bracht hem geluk,
er bleek in een groot gezin wel ‘iets’ te vangen voor al het grut.
Een klosje garen zwart of wit, sluitspelden, kleine of groten,
bè ons thuis zinnen we duk ‘die lui’ verdienen de kost mi proaten.

Gedicht geschreven door: Betsy van der Zanden-van der Heijden

Mei 1944 Deel 2

Anneliese:
In deze maand vertelt mam over de vliegtuigen die naar beneden kwamen tijdens de oorlog. In deel 1 vertelde ze over het vliegtuig dat brandend op hun huis dreigde te vallen maar door een wonder een draai zijwaarts maakte en een stukje verderop neerstortte.
Ook in Deel 2 heeft een vliegtuig de hoofdrol. Maar ook de angst als je een verklikker tegenkomt…

Mam:
Wat later dan dat eerste vliegtuig landde er een vliegtuig in de Zandstraat, achter het huis van Bertus Custers. Ik was die dag bij bakker Spanjers aan het werk. Samen met bakkersknecht ‘Van der Ven’ (d’n Booi) ging ik bij het vliegtuig kijken. Als er iets te beleven was waren we er meteen als de kippen bij. We dachten niet na, we waren gewoon jong en nieuwsgierig.
Overal kwamen mensen vandaan, iedereen wilde dit wel zien. We hadden al zoveel vliegtuigen in de lucht gezien en gehoord, maar dit vliegtuig stond kolossaal, zo enorm groot, gewoon voor onze neus op de grond.
‘Van der Ven’ ging met vele andere jongens uit Schaijk het vliegtuig in en namen van alles mee naar buiten. Broer Jan was natuurlijk er ook bij.
Plotseling verscheen er een meisje. Ze had tijdens het rennen door het weiland haar klompen verloren. Ik hoor haar weer zeggen, totaal buiten adem toen ze bij het vliegtuig aankwam, “Leg alles neer of ik geef jullie allemaal aan.”
Broer Jan draaide zich langzaam om. Bedachtzaam zei hij toen zachtjes tegen mij: “Zij is het dus…”
We waren allemaal bang en waren zo vertrokken.

Anneliese:
Dus jullie lieten alles achter?

Mam:
Sommige wel, sommige niet. Hoor maar:
Net terug bij bakker Spanjers brak daar de hel los. Een grote groep Duitsers stormde het huis binnen. Eén groep rende naar boven, ik zie ze nog de trap opstormen. Eén groep naar het achterhuis en de schuur. En één groep naar de twee kamers beneden en de bakkerij.
‘Van der Ven’ deed het bijna in zijn broek. Altijd al bleek kijkend, keek hij nu spierwit. Hij had namelijk zijn vliegtuigbuit niet achter gelaten maar snel verstopt in het deeg.
Van werken kwam die dag niet veel meer.
Ik hoorde nog lang hun laarzen klapperen (en mijn tanden) en hun geschreeuw (wat ik helemaal niet verstond).
Van de piloten is mij niets bekend, ik hoorde alleen maar geruchten. Zeker is dat ze in de buurt van het vliegtuig zijn verborgen.
Wat ik bijna wel zeker weet is dan onze Jan hier meer mee van doen had. En de dekens en parachutestof waar ik hierna weer van alles mocht maken? Dat die daar vandaan kwamen kan je donder op zeggen!

Ach, onze Jan, door een noodlottig ongeval veel te jong overleden…

1944 – Gedicht ‘Mei’

Mei 1944
Bij Betsy thuis werd vroeger veel gezongen, zowel de populaire liedjes van toen als de vele ‘heilige’ liedjes.
Mei is de Mariamaand. Vóór dat de oorlog uitbrak ging ze vaak op de zondagmiddag, samen met de Katholieke Jonge Meisjes, zingen bij de grot van Maria in de tuin van het klooster in Schaijk. Dat hield abrupt op toen de oorlog uitbrak.
Mei is echter nog veel meer. Heel wat jaren geleden heeft Betsy over deze maand een gedicht geschreven. Onderaan het gedicht staan de eerste regels van een oud Marialied ‘Gekomen is Uw lieve Mei, Maria’. Mijn moeder, Betsy, zingt dit lied na zoveel jaar nog steeds mee, u ook? (Youtube: Gekomen is Uw lieve Mei, Maria)

Maar dan nu het gedicht, geschreven door Betsy van der Zanden-van der Heijden.

Mei
Mei: de vijfde maand van het jaar
Mei: Mariamaand, velen gaan deze maand ter bedevaart
Zelfs vroeger verlieten velen ‘voor één dag’ huis en haard
Marialiederen werden en worden in alle kerken gezongen
En knielend bij het Mariabeeld, bidden velen ongedwongen
Gekomen is de ‘Lieve Mei Maria’, dat was vroeger ons gebed
Wij hebben als kind vele boeketjes bij haar beeld gezet

Mei: de maand ofwel de dagen van de ‘ijsheiligen’
Tot dan kan nog één nachtvorstje de bloemetjes pijnigen
Het is een wenk, reeds verjaard
Het vriest even vaak in mei als in maart
Mei: we zien het meizoentje, meikers, meikever, meidoren
En… nog even het palmtakje tussen het groeiende koren

Mei: de Tweede Wereldoorlog herinnert ons ook dit jaar weer
Maar wij hopen dat de oorlog nooit meer weder keert
Vier mei, vijf mei, tien mei, die dagen blijven ons herinneren
Wij vertellen het al bijna 75 jaar aan onze kinderen
Ze lezen dagelijks in de krant en zien op tv
Oorlogen dragen veel haat met zich mee

Mei: ‘bloeimaand’, de tuin gaat al vruchten geven
Veel dieren gaan van stal naar de wei, er is nieuw leven
Men ziet bijenzwermen van hier tot ginder
Je hoort ze samen zoemen, voorbij is nu de winter
Alle soorten vogels laten van zich horen
Hun zang is mooier dan wel duizend koren

“Maria”
Gekomen is de lieve Mei, Maria
En op het veld de bloemensprei, Maria
Bloemen die wij plukken gaan
Nu ze rijk te bloeien staan
Ave, ave Maria
Voor u, de vrouwe van de mei
“Maria”

Mei 1944 Deel 1

Anneliese:
Deze maand vertel ik jullie over enkele vliegtuigen die bij ons mam in de buurt naar beneden zijn gekomen.
Een daarvan was een heel angstig moment voor het hele gezin ‘Van der Heijden’ aan de Lage Baan.

Mam:
Wij stonden op het punt om naar bed te gaan toen we een geluid hoorden dat ons niet aanstond. Het was het stotterend geluid van een vliegtuig dat problemen had.
“Liggen, liggen”, werd er door de oudsten geschreeuwd. In de gang, met de voordeur open, zagen we, liggend op de grond, het brandende vliegtuig recht op onze boerderij afkomen. Angst stond op ieders gezichten te lezen.
Automatisch gingen we bidden.
“Onze vader, die in de hemel zijt, uw naam worde geheiligd, uw rijk kome, uw wil geschiede op aarde zoals in de hemel…”
Onderwijl hoorde ik een snik van een van de jongsten. Het was dan ook een nachtmerrie waar we midden in zaten.

Terwijl we dachten dat het met ons gedaan was en we onze handen voor onze oren of ogen sloegen, gebeurde er een wonder. Onze gebeden werden verhoord. Het vliegtuig maakte ineens een draaiende beweging. Ik herinner me dat we allemaal tegelijk riepen: “Hij vliegt weg, hij vliegt weg!”
Het wegvliegen gaf een angstig geluid dat veranderde in een knetterend geluid. Even later kwam het vliegtuig aan de grond. Niet het vliegtuig maar de brandstof overdekte het huis van ‘Van Duurkes’. De familie van Duren kon nog net op tijd in nachtkleding (dat later nog hun enig bezit bleek te zijn) naar buiten vluchtten, gelukkig raakte er niemand van dat gezin gewond.
Tegelijk stond alles in lichterlaaie. En wij… wij keken op een kleine afstand naar de vlammenzee, en naar de lucht die veranderde in een gloedrode kleur.

Eén piloot, zo hoorden wij in de morgen, was met de parachute uit het brandende vliegtuig gesprongen en zwaar gewond bij Driek Verstegen in de Zandstraat door de buren binnen gedragen. Terwijl zij hulp haalden waren de Duitsers al onderweg en kwamen bijna gelijk aan met onze huisarts, dokter Langendijk. De dokter probeerde nog de Duitsers te overtuigen de piloot hier te houden, maar tevergeefs. Twee piloten zijn in het brandende vliegtuig omgekomen. De vierde piloot vond men naast het vliegtuig in een sloot…
Het vliegtuig, ofwel de brokstukken, werd bewaakt door de Duitse soldaten. Zij patrouilleerden vanaf het vliegtuig op de Gagelstraat tot aan de Lage Baan.
In de weken erna vond ik het niet fijn om daar ’s avonds na mijn werk langs op te lopen. Best luguber. Maar ik zag ook meisjes die niet bang waren en daar dicht tegen de soldaten aanstonden, hun gezichten verborgen om niet herkend te worden. Thuis vertelde ik hier maar niks van want anders mocht ik niet meer alleen naar huis lopen…

Weer later landde er een vliegtuig in de Zandstraat, achter het huis van Bertus Custers, in het Goer. Maar daar vertel ik volgende keer over. Vind je dat goed?

Anneliese:
Mam, ik deel mei gewoon weer in tweeën op.

April 1944 Deel 2

Naar buiten
Het weer laat zich van zijn goede kant zien. Moeder wil daarom dat het vee naar buiten gaat. Het goede moment om dit af te spreken is op een zondag tijdens de middagmaaltijd, dan is bijna iedereen thuis.
“Het gras groeit weer, het weiland ziet al mooi groen, vinden jullie ook niet?”
Moeder kijkt de tafel rond, afwachtend wie het stokje overneemt.
Marie is de eerste. “En ik wil aan de voorjaarsschoonmaak beginnen, het liefst eerst achter, op de stal. Maar dan moeten wel de koeien naar buiten.”
“Dat kan”, zegt Jan. “D’n omheining is gecontroleerd, van mij mogen ze.”
Moeder zet meteen door. “Dus deze week Jan?”

Na afloop van het eten zijn alle plannen doorgenomen. Want ondanks de oorlog, de jaargetijden gaan gewoon door. Aan het stalgedeelte achter het huis, waarin de varkens huizen, hoeven ze niks te doen. Maar de stal, net achter de deel, waar de koeien staan, moet leeg. Zodra de koeien in het weiland staan zullen de jongens de stal uitmesten.
Marie is er blij mee. “Dus als gullie da dan klaor hebben, kan ik gaon schrobben en helpen jullie me met het putten van het water? Dan vraog ik wel de klein om die emmers naar mij toe te sjouwen.”
“Hedde genoeg kalk, of moet ik nog haolen?” Martien kijkt Marie vragend aan.
“We zullen zo gaon kijken.” Marie is blij dat dit alvast geregeld is. Vers stro is er volop.

De schone stal inwijden
Nog geen week later is de stal uitgemest, geboend én gewit. De onderrand heeft van Marie zelfs een mooie strakke grijze rand gekregen. Het vullen met stro is het laatste klusje. Als ook dat klaar is gaan ze op zoek naar Betsy.
“Waar is ons Bets, waar heeft ze zich verstopt?”
Giechelend komt Betsy tevoorschijn. “Niet doen hè?!” Maar stiekem vindt ze het wel leuk.
“Eén, twee…” Bij drie gooien de broers hun zus, zoals elk jaar, in het zachte stro, om zo de stal in te wijden. Ach, traditie is nu eenmaal traditie.

Moeder bekijkt alles met een glimlach. Als ze maar schik hebben denkt ze bij d’r eigen. Dat de koeien weer buiten lopen is een magisch gezicht. Het houdt echter ook in dat ze weer bezoek van de Duitsers kan verwachten. Zodra die iets zien veranderen komen ze controleren. Ze heeft die soldaten liever niet op de misse. Vooral niet op zolder waar onder het stro een nieuwe fiets verstopt ligt. Met daarnaast hun trouwe grammofoon. Sinds de oorlog is uitgebroken is het verboden om naar de radio te luisteren en muziek te maken. Voorheen draaiden ze zondags altijd fijne muziek op de grammofoon. Dat missen ze op de zondagen het meest, de muziek, het meezingen en het dansen.

Hun handel
Het vee bestaat uit vier varkens, vier koeien en heel veel kippen. En na een bezoek van een beer, stier en haan wordt de familie uitgebreid met biggen, kalfjes en kuikens. Deze beestenboel levert de familie melk, eieren, boter en vele soorten vlees. Uiteraard voor eigen gebruik, maar hoofdzakelijk voor de handel. Nu, tijdens de oorlog, grotendeels als ruilhandel voor o.a. olie, landbouwonderdelen, suiker, koffie en mooie stoffen.
Dan is er nog het paard dat hen op het land helpt. En oh ja, Roosje, de waakhond. ’s Avonds, als de jongens te laat thuis komen van het buurten of vrijen bij hun meisje, sluipen ze heel voorzichtig naar de achterdeur. Doch ze kunnen nog zo zachtjes doen, Roosje hoort hen altijd en slaat dan oorverdovend aan. Betsy, die samen met haar zusjes Annie en Dora beneden slapen, hoort ze dan steevast zeggen: “Sssstt Roosje, ik ben het, goed volk, je bent lief, sssstt Roosje, sssstt rothond.”

Albert
De postbode is net langs geweest. Betsy loopt met de brief, waarvan ze het handschrift direct herkent, naar haar moeder.
“Mam, er is net een brief van ons Albert aangekomen. Hier.”
De brief is van haar oudste broer Albert die ze best mist. Hij werkt in Duitsland, in Mönchengladbach. Daar hij maar weinig naar huis mag stuurt hij regelmatig een brief aan zijn moeder. Meestal eindigt hij zijn epistels met een gedicht.
Betsy blijft bij moeder staan totdat deze hem openmaakt.
“En, wat schrijft ie mam”, vraagt Betsy ongeduldig.
“Even rustig, ik zal hem zo voorlezen, eerst kijken.”
Nadat moeder de brief heeft gelezen houdt ze de envelop op zijn kop en schudt er even mee. Elke keer hoopt ze dat Albert geld meestuurt, iedereen draagt immers zijn geld af tot aan hun trouwen.
“Onze Albert kan het allemaal weer mooi beschrijven. Maar loon, hola.”
Ze ziet Betsy vragend naar haar opkijken. “Ja, hij heeft ook weer een gedichtje aan toegevoegd.” Aan haar gezicht is te zien hoe ze geniet van Alberts brieven.
“Luister, zijn gedichtje:
‘Deze brief laat ik dwalen, over bergen en dalen, over water en land, dat hij mag landen in moeders hand’. Mooi hè.”

Trots
De brief met buitenlandse postzegel zet moeder hierna op de kast, goed in het zicht, zodat het bezoek kan zien dat Albert weer heeft geschreven.

Op bijgevoegde foto: links Albert en rechts Martien. Beiden broers van Betsy. Martien is bij zijn broer Albert op bezoek in Mönchengladbach.

Eten wat de pot schaft

De Tafel
Het tafelkleed ontbrak op de grote tafel bij ons in de Lagebaan
De vele eters schoven (soms luidruchtig) rond die tafel aan
Het bestek was eenvoudig: lepel, vork, soep- en sauslepel, schuimspaan
De dampende potten eten kwamen in het midden van de tafel te staan

De Soep
Zondags was er kip of rundsoep, er mocht altijd een mee-eter komen
De Doordeweekse soep was machtig, meestal van erwten of bonen
De bonen en erwten werden de dag te voren in water geweekt
Een hiel of ribkus van het varken, maakten de soep compleet

De Aardappelen
Ook de aardappelen (piepers) schilde men de avond te voren
Twee van de twaalf werden ‘tot ongenoegen’ daarvoor uitverkoren
Een emmer vol, en moeder maar roepen… “schel nie zò dik!”
Wij, de kleinsten telden de plonsen in het water, hadden samen schik

De Groente
Vele dagen in de week was het stamppot, van groenten uit eigen hof
Witte en savooienkool, wortelen, ook zuurkool of een en ander lof
Zaterdags deden ze spek bakken, daar deden ze schijfjes piepers in
Brood met spek, ook nog een bord brokkenpap, dat ging er altijd in

Het Vlees
Zondags kregen wij gekookte piepers en jus van vlees of groentenat
Het vlees was verse worst, kip of hachee van een grote varkenslap
Maar vrijdags was er haring en eieren, dan was het vastendag
Met rijstepap toe, wou iedereen dat het iedere dag vrijdag was

Het Nagerecht
Ook kregen wij zondags pudding, en werd nog iets lekkers beloofd
Van eigen fruit, kersen, bessen, bramen, werd nog een sausje gekookt
Iedereen bleef aan tafel, bang dat een ander hun portie wegnam
Ja, de grootste deden graag plagen, maakten de kleinsten graag bang

Bidden en Werken
‘Eten wat de pot schaft’, niemand mocht vragen, niemand deed klagen
Wij baden iedere dag ‘De Engel des Heeren’, soms met rammelende magen
Aan het eten werd vroeger heel veel tijd… en handwerk besteed
Niemand bij ons in de Lagebaan, heeft zich aan werk en eten verveeld

Gedicht geschreven door Betsy van der Zanden-van der Heijden